© Dr. H.J. Remmelink, Almelose Orthodontisten

Scroll of gebruik de 'Control-F' toetsencombinatie voor het vinden van termen. Klik in Safari op de deelknop en daarna op het vergrootglas.

 

A
Cefalometrisch referentiepunt dat het meest naar achteren gelegen punt op de voorzijde van de bovenste kaakwal aangeeft. Tevens is a. de afkorting van arteria of arterie, een bloedvat waarin de stroom van het hart is afgericht.

Aa.
Arteriae. Meervoud van arteria of arterie, een bloedvat waarin de stroom van het bloed van het hart af is gericht. 

Aangehechte gingiva
Deel van het tandvlees dat met vezels aan de wortel van een gebitselement vastgehecht is.

Aangezichtsschedel
Viscerocranium. Het bestaat uit de volgende veertien beenderen: os nasale (2), os lacrimale, os zygomaticum (2), concha nasalis inferior (2), vomer, os palatinum (2), maxilla (2) en mandibula.

Aanvullende zorgverzekering
Een verzekering die bovenop de basiszorgverzekering kan worden afgesloten. Een aanvullende zorgverzekering kan bijvoorbeeld de kosten van tandartszorg en orthodontie vergoeden.

AAO
American Association of Orthodontists (AAO), 's werelds grootste orthodontistenvereniging waar ook veel Nederlandse orthodontisten (buitenlands) lid van zijn.

ABO
American Board of Orthodontics. Organisatie die namens de American Association of Orthodontists (AAO) door middel van examens certificering van orthodontisten regelt.

Abrasie
Afslijting.

Abrasieve strips
Schuurstripjes voor interproximale reductie (IPR).

Accelerated Osteogenic Orthodontics  (AOO)
Chirurgisch orthodontische behandeling waarbij er gaten of zaagsnedes in de buitenste botlaag van de kaakwal worden aangebracht om de snelheid van tandverplaatsingen te bevorderen en daarmee de behandelduur te verkorten. De procedure is geïntroduceerd door de twee Amerikaanse broers William en Thomas Wilcko, resp. orthodontist en parodontoloog. De behandelvorm wordt ook wel Wilckodontics of versnelde orthodontie genoemd.

ACCO
Acrylic Cervical Occipital Anchorage. Het is een uitneembare bovenbeugel met een kunstharsgedeelte ter plaatse van het gehemelte, Adamsankers op de eerste premolaren en posthoonveren voor de eerste molaren. De beugel wordt vaak in combinatie met een headgear toegepast. Het doel van een ACCO is om de eerste bovenmolaren naar achteren te verplaatsen en op die manier ruimte te maken voor het bovenfront en de premolaren. Er bestaan diverse variaties van de beugel. Het oorspronkelijke ontwerp van de beugel is in 1976 door de Amerikaanse orthodontist Herbert I. Margolis geïntroduceerd.

Accreditatiepunten
Punten die het aantal aan bij- en nascholing bestede uren aangeven. Elke orthodontist dient in een periode van vijf jaar minimaal 200 uren aan bij- en nascholing te besteden om als orthodontist in het BIG-register ingeschreven kunnen te blijven (herregistratie).

Achondroplasie
Erfelijke aandoening waarbij de groei van kraakbeen in de groeischijven van de pijpbeenderen en de synchondroses van de schedelbasis verstoord is. De aandoening wordt gekenmerkt door korte en gedrongen ledematen, kleine vingers en een terugliggend middengezicht met een Klasse III-maclocclusie.

Achterste gelaatshoogte
Afstand tussen de cefalometrische referentiepunten Sella (S) en Gonion (Go).

Achterste schedelbasisvlak
Lijn tussen de cefalometrische referentiepunten Sella (S) en Basion (Ba).

Acrocefalosyndactylie
Gestoorde ontwikkeling van schedelbeenderen, vingers en tenen, resulterend in een terugliggend middengezicht en vaak samengegroeide vingers en tenen. De erfelijke aandoening wordt ook wel syndroom van Apert genoemd.

ACTA 
Academisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam.

Activator
Uitneembare beugel ('blokbeugel') die zowel het onder- als het bovengebit omvat en de onderkaak naar voren houdt. Het is eigenlijk een bovenbeugel die aan een onderbeugel vastzit. De beugel is in 1908 door Viggo Andresen (1870-1950), professor in de orthodontie in Oslo, geïntroduceerd.

Activeren
Het op spanning brengen van een beugel.

Active vertical corrector
Beugel die bestaat uit uitneembare onder- en bovenplaten die met elkaar afstotende magneten de onder- en boven premolaren en molaren intruderen. De beugel is in 1986  geïntroduceerd door de Amerikaanse orthodontist E.L. Dellinger.

Adams anker
Gebogen metalen draad die een kies omvat zodat een uitneembare beugel aan het gebit blijft vastzitten. Het anker is door Charles Philip Adams, docent orthodontie aan de Liverpool Dental School, in 1948 geïntroduceerd.

Adenoïd
Neusamandel.

Adenoïdectomie
Verwijdering van de neusamandel.

Adenoid facies
Gezicht dat gekenmerkt wordt door een smalle neus, slappe spieren en een sullige gelaatsuitdrukking met open mondhouding. De combinatie van kenmerken wordt vaak met mondademhaling in verband gebracht. Deze manier van ademen en houding van de mond hangt vaak samen met een verticale overontwikkeling van het ondergezicht, een smalle boventandboog, anterieure open beet en een kruisbeet. 

Adenotonsillair
Betreffende de neus- en keelamandelen.

ADHD
Gedragsproblematiek die gekenmerkt wordt door een combinatie van impulsief gedrag, concentratieproblemen, rusteloosheid en leermoeilijkheden.

Adhesief
Hechtmiddel voor het plakken van een bracket, attachment of spalk.

Advancement osteotomie
Osteotomie waarbij een kaakdeel naar voren wordt verplaatst.

Adviescommissie DMO
Commissie die de eindevaluatie voor de orthodontisten in opleiding uitvoert.

Aetiologie
Ontstaansgeschiedenis.

Afbouwbeugel
Uitneembare beugel om het eindresultaat van een orthodontische behandeling zo goed mogelijk te behouden. Wordt ook wel nacht- of retentiebeugel genoemd.

Afdruk
Negatieve weergave van het gebit voor het maken van een gebitsmodel.

Afdruklepel
Bakje, dat om het onder- of bovengebit past, waarin afdrukmateriaal kan worden gedaan voor het maken van een afdruk.

Afsluitingsvlak
De achterzijden van de bij dichtbijten tegen elkaar staande tweede onder- en bovenmelkkiezen van opzij gezien. Indien deze zich recht ten opzichte van elkaar bevinden spreekt men van een recht afsluitingsvlak. In het geval dat de achterzijde van de tweede ondermelkmolaar zich voor die van de tweede bovenmelkmolaar bevindt is er sprake van een afsluitingsvlak met een mesiale stap. Ligt de achterzijde van de tweede ondermelkmolaar achter die van de tweede bovenmelkmolaar dan is er een afsluitingsvlak met een distale stap. Het afsluitingsvlak heeft tijdens de gebitsontwikkeling een grote invloed op de voor-achterwaartse onderlinge stand van de eerste blijvende grote kiezen. Afsluitingsvlak wordt ook wel distaal afsluitingsvlak genoemd.

Afte
Mondzweer.

Afwijkende mondgewoonten
Tot de meest voorkomende afwijkende mondgewoonten behoren tonginterdentaliteit en andere afwijkingen van de positie en bewegingen van de tong, duim- en vingerzuigen en overige zuiggewoonten, open-mondgedrag, mondademhaling, kwijlen, knarsen en klemmen van tanden en kiezen, nagelbijten en overige bijt- en kauwgewoonten. Afwijkende mondgewoonten kunnen een nadelige invloed hebben op de vorm en positie van het gebit en de kaken, de gezondheid van het gebit en parodontium, spraak en het gehoor.

Afzuigbuis
Verwijderbare buis waarmee water en speeksel uit de mond kan worden gezogen.

Agenesie
Het niet aangelegd zijn van een gebitselement.

AHI
Apneu-hypopneu-index. Het aantal apneus apneus en hypopneus per uur slaap.

Aios
Arts in opleiding tot specialist.

Algehele anesthesie
Narcose.

Alginaat
Een hydrofiel polymeer dat uit zeewier verkregen. Na mengen van alginaat poeder met water ontstaat er een pasta die na korte tijd in een rubberachtige consistentie verhardt. Het materiaal wordt gebruikt voor het maken van een afdruk van het gebit. Door een afdruk te vullen met gips (uitgieten) ontstaat er een kopie van het gebit (gebitsmodel).

Alginaatmengapparaat
Apparaat om alginaatpoeder met water te mengen.

Alignment
Mate waarin tanden en kiezen recht staan.

Aligner
Dun, doorzichtig plastic hoesje waarmee het gebit rechter kan worden gemaakt. Het hoesje is uitneembaar en past op het boven- en/of ondergebit. Het is vrijwel niet te zien. Bij de behandeling wordt een serie hoesjes gebruikt, die allemaal net een klein beetje van elkaar verschillen. Door een hoesje tijdens de behandeling telkens te vervangen door een nieuwe wordt het gebit geleidelijk steeds rechter gezet. Een aligner wordt ook wel clear aligner of onzichtbare beugel genoemd.

A-lijn
De overgang van palatum durum en palatum molle. Deze kan zichtbaar worden gemaakt door een patiënt met geopende mond 'A' te laten zeggen. Het palatum molle beweegt dan enigszins omhoog.

Allergie
Allergie is een reactie van het immuunsysteem van het lichaam op lichaamsvreemde stoffen. In de orthodontie kan nikkel tijdens een behandeling heel soms een contactallergie veroorzaken, die gekenmerkt wordt door zwelling, overgevoeligheid en roodheid van weke delen die met nikkel bevattende delen van de beugel in contact staan. Ook latex onderdelen van beugels of onderzoekshandschoenen kunnen in uitzonderijke gevallen bij contact met weke delen tot een allergische reactie aanleiding geven.

Alveole, alveolus
Tandkas.

Alveolaire bothoogte
De hoogte van het bot van de tandkas ten opzichte van de wortel van het gebitselement.

Amalgaan
Legering van kwik en metaal.

Ameloblast
Cel die tandglazuur vormt.

Amelogenesis imperfecta
Ontwikkelingsstoornis van het glazuur.

American Journal of Orthodontics and Craniofacial Orthopedics (Am J Orthod Dentofacial Orthop of AJO-DO)
Internationaal wetenschappelijk orthodontisch tijdschrift, dat door de American Association of Orthodontists (AAO) wordt uitgegeven.

Anamnese
De door de patiënt vermelde medische en tandheelkundige voorgeschiedenis.

Anatomische kroon
De met glazuur bedekte kroon van een gebitselement, die tot de glazuur-cementgrens loopt.

ANB
De hoek tussen de cefalometrische referentiepunten A, N en B, die de onderlinge voor-achterwaartse positie van de onder- en bovenkaak op een laterale schedelröntgenfoto aan geeft. 

Anchor bend, anchorage bend
Een knik in een boog voor de eerste blijvende molaar bij vaste apparatuur van de behandeltechniek volgens Begg, waarbij het booguiteinde van het occlusievlak af kipt. 

Andresen
De Deen Viggo Andresen (1870-1950), professor in de orthodontie in Oslo, stimuleert vanaf 1908 de ontwikkeling van de onderkaak en het ondergebit bij groeiende kinderen orthodontisch naar voren met behulp van een beugel, die erg veel lijkt op het monobloc van Robin (zie: Pierre Robin). Andresen noemt de beugel 'activator'. De activator, die in Nederland ook vaak 'blokbeugel' wordt genoemd, is tegenwoordig een van de meest gebruikte beugels in de orthodontie. 

Andrews bracket
Specifieke uitvoering van een straightwire bracket volgens de Amerikaanse orthodontist Lawrence F. Andrews die deze veelgebruikte bracket in 1970 in het vakgebied heeft geïntroduceerd. Nadien hebben diverse andere orthodontisten modificaties van deze bracket geïntroduceerd, zoals Ricketts en Burstone.

Anesthesie
Verdoving. Er bestaat locale (plaatselijke) en algehele anesthesie (narcose). Bij blockanesthesie wordt de prikkelgeleiding van een zenuw door omspuiting met een verdovingsmiddel geblokkeerd. Dit laatste gebeurt bij mandibulairanesthesie.

Anestheticum
Verdovingsmiddel.

Angle
Amerikaanse orthodontist Edward H. Angle (1855-1930) die het meest gebruikte diagnostische classificatiesysteem in de orthodontie (Angle-classificatie) en de hedendaagse vastzittende beugel (plaatjesbeugel) heeft geïntroduceerd. In 1900 startte hij de eerste specialistenopleiding en de eerste vereniging van orthodontisten. Tevens stichtte hij in 1907 het eerste orthodontische tijdschrift. Daarnaast schreef hij een wereldberoemd orthodontisch standaardwerk. Hij wordt beschouwd als de 'vader van de moderne orthodontie'.

Angle classificatie
Door Edward H. Angle in 1899 geïntroduceerde internationaal geaccepteerde indeling van gebitsafwijkingen, die gebaseerd is op de onderlinge stand van het onder- en bovengebit van opzij gezien. Op grond hiervan worden er drie afwijkingen of malocclusies onderscheiden: Klasse I, II en III. Bij een Klasse I-malocclusie staan ondergebit en bovengebit in voor-achterwaarste zin goed ten opzichte van elkaar. Bij een Klasse II-malocclusie staat het ondergebit ten opzichte van het bovengebit te ver naar achteren. Een Klasse III-malocclusie geeft aan dat het ondergebit ten opzichte van het bovengebit te ver naar voren staat. De Klasse II-malocclusie wordt weer onderverdeeld in Klasse-II/1 en Klasse II/2-malocclusies. Bij een Klasse II/2 staan de beide centrale of meer bovenincisieven naar binnen gekipt. Aan de indeling in klassen zijn subdivisies toegevoegd, die aangeven dat de onderlinge stand van het onder- en bovengebit links en rechts van opzij gezien kunnen verschillen. Een Klasse II/1-subdivisie geeft aan dat het ondergebit ten opzichte van het bovengebit te ver naar achteren staat, terwijl die aan de andere kant in voor-achterwaartse zin niet afwijkt. Bij een Klasse III-subdivisie staat het ondergebit ten opzichte van het bovengebit te ver naar voren en wijkt deze aan de andere zijde niet af. 

Angle Orthodontist (Angle Orthod)
Internationaal wetenschappelijk orthodontisch tijdschrift dat naar de Amerikaanse orthodontist Edward H. Angle, de grondlegger van de moderne orthodontie, is vernoemd. Het tijdschrift wordt door de The Edward H. Angle Society of Orthodontists (EHASO) uitgegeven.

Angle society
Internationale vereniging van orthodontisten die zich tijdens bijeenkomsten bezig houden met het vergaren, verspreiden en onderling uitwisselen van kennis en ervaring op het gebied van orthodontie. De vereniging is vernoemd naar de Amerikaanse orthodontist E.H. Angle, de grondlegger van de moderne orthodontie.

Angulatie
Asrichting van een gebitselement evenwijdig ten opzichte van de kaakwal.

Anker
Metalen draad waarmee een uitneembare beugel aan het gebit wordt vastgehouden. Wordt ook wel klammer genoemd.

Ankyloglossie
Tong met een te korte tongriem.

Ankylose
Onbeweeglijkheid van een gebitselement. De term kan ook worden gebruikt voor onbeweeglijkheid van het kaakkopje.

Anodontie
Gebitssituatie waarbij geen enkel gebitselement is aangelegd.

Anomalie
Afwijking van de vorm en positie van het gebit en de kaak.

ANT
Associatie Nederlandse Tandartsen, de tweede landelijke beroepsvereniging van tandartsen en tandartsspecialisten.

Antagonist
Gebitselement dat zich tegenover een gebitselement in de andere kaak bevindt.

Antegonial notching
Knik in de onderkaakrand in het gebied vlak voor de kaakhoek.

Anterieure open beet
Verticale afstand tussen onder- en bovensnijtanden en hoektanden bij dichtbijten.

Anterior component of force
Kracht vector die ervoor zorgt dat de gebitselementen in de tandboog naar voren migreren (mesial drift). De kracht component is het gevolg van naar voren gerichte krachten die door de enigszins voorwaarts gekipte stand van de gebitselementen tijdens kauwen en slikken optreden.

Antibioticum
Stof dat bacteriën doodt of de groei van bacteriën tegengaat. Antibiotica is het meervoud van antibioticum.

Anti-snurkbeugel
Beugel die sociaal hinderlijk snurken tegengaat, meestal door het naar voren houden van de onderkaak tijdens het slapen zoals bij een mandibulair repositie-apparaat (MRA). Wordt ook wel snurkbeugel genoemd.

Antrum maxillare
Bovenkaakholte. Wordt ook sinus maxillaris genoemd.

Apertura piriformis
Benige uitwendige neusopening.

Apex
Wortelpunt.

Apexresectie
Behandeling van een ontsteking om de wortelpunt (apex) van een gebitselement waarbij de wortelpunt wordt weggehaald.

Apicaal
Aan de wortelpunt.

Apicaal abces
Abces aan een wortelpunt van een gebitselement.

Apical area
Het gebied van de kaak waarin zich de vormende delen en de punten van de wortels van de gebitselementen bevinden. Het begrip 'apical area' werd in 1979 door de Nijmeegse hoogleraar orthodontie F.P.G.M. van der Linden geïntroduceerd.

Apicale basis
Gedeelte van de kaak waarin de punten van de wortels van de gebitselementen liggen.

Apneu
Ademstop.

Apollonia
Apollonia van Alexandrië is de beschermheilige van tandartsen en patiënten met aandoeningen aan hun gebit. Volgens overlevering zouden heidenen in het jaar 249 in het destijds Romeinse Alexandrië al haar tanden hebben getrokken, omdat zij het christelijke geloof niet wilde afzweren. Vervolgens zou ze levend zijn verbrand door zelf in het vuur te springen. Haar feestdag is op 9 januari.

Apparatuur
Beugel.

Approximaal
Tussen aanliggende gebitselementen.

Arch Length Discrepancy (ALD)
Te veel of te weinig ruimte in de gebitsboog voor het in de rij kunnen komen van de gebitselementen.

Archwire tucker
Penvormig instrument met kleine metalen oogjes aan de uiteinden om de achterzijde van een orthodontische boog om te buigen (cinching).
 

Arousal
Ontwaakreactie.

Artefact
Onbedoelde fout in een afbeelding of onderzoeksresultaat.

Arteria, arterie
Bloedvat waarin de stroom van het bloed van het hart af is gericht. Wordt vaak afgekort als a. of aa. (arteriae, meervoud). 

Articulatie
In de tandheelkunde wordt met articulatie bedoeld: elk glijdend contact tussen tanden en kiezen van de onder- bovenkaak. Wordt ook dynamische occlusie genoemd. In de logopedie staat articulatie voor de bewegingen in de mond- en keelholte ten behoeve van de spraak.

Articulatiepapier
Dun papiertje met kleurstof voor het vastleggen van contacten tussen onder- en bovengebitselementen tijdens occlusie en articulatie.

Articulator
Apparaat waarmee kaakbewegingen kunnen worden nagebootst.

Articulus temporomandibularis
Kaakgewricht.

Artistic positioning
Kleine verbuigingen (artistic bends) in de boog tijdens de eindfase van een behandeling met een vastzittende beugel.

Artritis
Gewrichtsontsteking.

ASSA
Anti-snurk en Slaapapneu Activator (ASSA), een monobloc type MRA dat in 1990 door de Almelose orthodontist dr. Hayé Remmelink in Nederland is geïntroduceerd.

Asymptomatisch
Zonder ziekteverschijnselen.

ATE
Adenotonsillectomie. Verwijdering van neus- en keelamandelen.

Attachments
Kleine haakjes, knopjes en oogjes die op banden gelast of op gebitselementen geplakt kunnen worden. Daarnaast zijn attachments ook dunne transparante composietuitsteeksels die op gebitselementen worden aangebracht tijdens behandelingen met (clear) aligners of onzichtbare beugels.

Attritie
Afslijting.

Augmentatie
Vergroting.

Australasian Orthodontic Journal (Aust Orthod J of AOJ)
Wetenschappelijk orthodontisch tijdschrift, dat door de Australian Society of Orthodontists (ASO) wordt uitgegeven.

Australisch draad, Australian wire
Flexibele orthodontische draad van roestvrij staal, in de jaren 1940 ontwikkeld door twee Australiërs, de orthodontist P. Raymond Begg en de metallurg Arthur J. Wilcock. De staaldraad werd aanvankelijk alleen gebruikt voor de behandeltechniek met vastzittende beugels van Begg, maar werd later ook bij veel andere vastzittende beugels toegepast.

Autoclaaf
Een apparaat waarbij instrumenten door middel van stoom onder druk gesteriliseerd kunnen worden.

Autotransplantatie
Chirurgische verplaatsing van een gebitselement naar een andere plaats in de mond. Wordt ook wel transplantatie genoemd.

Auxiliary
Extra draaddeel of veertje bij vastzittende beugel.

Avitaal
Niet levend. Wordt ook wel nonvitaal genoemd.

Avitaal gebitselement
Gebitselement waarvan de pulpa avitaal is. Wordt ook wel nonvitaal gebitselement of 'dode tand' genoemd.


Cefalometrisch referentiepunt dat meest naar achteren gelegen punt op de voorzijde van de onderste kaakwal aangeeft.

Baliemedewerker
Praktijkmedewerker die zich bezighoudt met de ontvangst van patiënten, het maken van afspraken en de administratie.

BAMP
Bone Anchored Maxillary Protraction, een behandelingstechniek met botankers in de onder en bovenkaak.

Band
Metalen ringetje om een kies waarop een buis, bracket of attachment gelast kan worden.

Band pusher
Instrument om band om kies te duwen.

Band removing tang
Tang om band te verwijderen.

Band seater
Instrument om band om kies te duwen.

Basion (Ba)
Cefalometrisch referentiepunt dat het onderste punt op de voorrand van het foramen magnum aangeeft.

Basisplaat
Een door het orthodontisch laboratorium gebruikte benaming voor het kunstharsgedeelte van een uitneembare onder- of bovenbeugel (plaat).

Basisverzekering, basiszorgverzekering
De basis(zorg)verzekering of zorgverzekering is een verplichte ziektekostenverzekering voor ingezetenen van Nederland, die noodzakelijke, op genezing gerichte, zorg dekt.

Bass-appliance
Modificatie van de activator van Andresen volgens de Engelse orthodontist dr. Neville M. Bass. De beugel kan ook met een high-pull headgear worden gecombineerd.

Bass-methode, Bass-techniek
Veelgebruikte manier van tandenpoetsen, die gekenmerkt wordt door kleine poetsbewegingen die heen en weer in het verloop van de tandboog worden uitgevoerd. De borstelharen worden hierbij onder een hoek van 45 graden ten opzichte van de kronen van de gebitselementen in de richting van het tandvlees georiënteerd. Er bestaan verschillende modificaties van de poetstechniek.

Beetverhoging
Beugel(gedeelte) waarop de kiezen dichtbijten.

Begg
Australische orthodontist P.R. Begg (1898-1983) die een in het verleden veelgebruikt type vastzittende beugel heeft bedacht (Begg beugel of light wire). Er zijn nog steeds enkele orthodontisten die deze techniek toepassen.

Begg beugel
Vastzittende beugel die in 1956 door de Australische orthodontist Begg geïntroduceerd is. Bij deze beugel worden kleine krachten gebruikt en de techniek wordt daarom ook wel light wire genoemd.

Bend
Gebogen knik in boog bij een vastzittende beugel.

Beschermplaat
Uitneembare plastic beugel tegen het afslijten van gebitselementen.

Beta-titanium
Orthodontische bogen met een legering van titanium en molybdenum worden vaak tijdens de latere stadia van behandelingen met vastzittende beugels gebruikt. Deze bogen hebben zowel elastische als permanent vervormbare materiaaleigenschappen. Beta-titanium wordt ook wel TMA (Titanium Molybdenum Alloy) genoemd.

Beugel
Hulpmiddel voor het verplaatsen van gebitselementen of (delen van) kaken. In het vakgebied zelf wordt vaak de naam apparaat of apparatuur in plaats van beugel gebruikt.

Beugeldoosje
Plastic doosje voor het opbergen van een uitneembare beugel.

Bibloc
Uitneembare plastic beugel die zowel het onder- als bovengebit omvat en die uit een onder- en een bovengedeelte bestaat. De beugel houdt de onderkaak in een voorwaartse stand en is een modificatie van de activator.

Biedermann-apparaat
Vastzittende beugel met een bepaald type schroef (Hyrax) waarmee in korte tijd de bovenkaak en het bovengebit kan worden verbreed door het openen van de schedelnaad (sutuur) in de bovenkaak. Deze behandeling heet snelle sutuurexpansie, rapid maxillary expansion (RME) of rapid palatal expansion (RPE). De beugel is een sutuurexpansie-apparaat. Kunsthars maakt geen deel uit van de beugel. Patiënten noemen de beugel vaak een spin. De beugel zelf wordt ook vaak naar het type schroef Hyrax genoemd.

Bifurcatie
Splitsing van twee wortels van gebitselement.

BIG-register
In het voor iedereen op internet toegankelijke BIG-register staan de gevolgde opleiding en de bevoegdheden van zorgverleners vermeld, waaronder die van tandartsen en tandartsspecialisten. BIG staat voor Wet op de beroepen in de Individuele Gezondheidszorg.

Bijlstra
Klaas G. Bijlstra (1905-1985) was een Groningse hoogleraar die een belangrijke rol heeft gespeeld bij de erkenning van de orthodontie als het eerste tandheelkundige specialisme in Nederland in 1953. Naar hem vernoemd is de Professor K.G. Bijlstra Stichting, die wetenschappelijk onderzoek, onderwijs en voorlichting op het gebied van de orthodontie ten behoeve van de specialistenopleiding van het UMCG bevordert.

Bij- en nascholing
Voldoende bij- en nascholing is een van de vereisten om als orthodontist in het BIG-register ingeschreven te kunnen blijven. Elke orthodontist dient in een periode van vijf jaar minimaal 200 uren aan bij- en nascholing te besteden. De bij- en nascholing wordt door middel van een systeem van accreditatiepunten bijgehouden.

Bilateraal
Dubbel- of tweezijdig.

Bimler
Uitneembare beugel ontworpen door de Duitse orthodontist professor dr. Hans Peter Bimler. De beugel is een modificatie van de activator.

Binnenbeet
Bovenkies bijt te ver naar binnen ten opzichte van onderkiezen. Wordt ook endo-occlusie genoemd.

Biofilm
Biofilm is een samenstelsel van micro-organismen waarbij cellen met elkaar en/of aan een oppervlak verbonden zijn. De cellen produceren een substantie waarin ze leven ('slime'). Tandplague ofwel plaque is een voorbeeld van biofilm. Ook op beugels vormt zich biofilm.

Bionator
Kleine activator naar een ontwerp van de Duitse orthodontist professor Balters.

Bipupillair lijn
Lijn door het midden van de beide pupillen bij beoordeling van het gezicht van voren.

Bird beak tang
Tang om bogen van vastzittende beugels mee te kunnen buigen.

Bisfosfonaten
Bisfosfonaten worden gebruikt bij osteoporose (botontkalking), met als doel botbreuken te voorkomen. Bij het gebruik van bisfosfonaten bestaat er bij het trekken van een kies een kans op het optreden van osteonecrose (botafsterving) van de kaak. Bisfosfonaten kunnen ook de doorbraak van tanden en kiezen vertragen en de orthodontische verplaatsing van gebitselementen belemmeren of blokkeren.

Beslijpen
Het door middel van slijpen met een hoekstuk met een frees veranderen van de vorm van de kroon van een gebitselement. De term wordt ook gebruikt voor het beslijpen van een gebitsmodel van gips.

BIPAP
CPAP staat voor Bi-level Positive Airway Pressure ofwel positieve luchtwegdruk met een verlaagde druk tijdens het uitademen. Bij deze apparatuur wordt met een pomp via een masker lucht door de neus en eventueel mond geblazen. De positieve druk voorkomt collaps van de bovenste luchtweg en daarmee obstructieve apneus en hypopneus.  BIPAP wordt veel gebruikt bij de behandeling van het obstructieve slaapapneu syndroom (OSAS).

Bite ramp, bite turbo
Plateau-vormig uitsteeksel dat aan de binnenzijde van bovensnijtanden geplakt wordt, zodat de ondertanden hier bij dichtbijten tegenaan komen.

Bite stick
Instrument met driehoekig metalen uitsteeksel voor het plaatsen van banden.

Björk
De Deense orthodontist professor dr. Arne Björk (1911–1996) publiceerde in 1947 een baanbrekend proefschrift waarin hij de groei en ontwikkeling van de kaken en het gebit met behulp van gestandaardiseerde röntgenfoto's onderzocht. Hiervoor plaatste hij bij groeiende kinderen kleine metalen kogeltjes in de kaken.

Bleken
Witter maken van tand(en) met behulp van een blekende vloeistof of gel (peroxide). Dode tanden worden van binnenuit gebleekt. De tand wordt dan eerst open gemaakt. Levende tanden worden van buitenaf met behulp van een bleeklepel gebleekt.

Blijvend gebit
Gebit met allemaal blijvende gebitselementen. Met inbegrip van de 4 verstandskiezen bestaat het blijvende gebit uit 32 tanden en kiezen.

Blockanesthesie
Blokkering van de prikkelgeleiding van een zenuw door omspuiting met een verdovingsmiddel. Dit gebeurt bijvoorbeeld bij mandibulairanesthesie.

Blokbeugel
Uitneembare beugel (activator) die zowel het onder- als het bovengebit omvat en de onderkaak naar voren houdt. Het is eigenlijk een bovenbeugel die aan een onderbeugel vastzit.

Blokverankering
Wijze van verankering waarbij een aantal gebitselementen worden gebruikt om de reactiekrachten voor orthodontische tandverplaatsingen op te vangen.

Bodily verplaatsing
Tandverplaatsing evenwijdig aan een gebitselement zelf.

Bollard
Een klein titanium staafje met twee of drie ronde openingen waarin schroefjes kunnen worden bevestigd waarmee het staafje in het kaakbot kan worden vastgezet. Aan het uiteinde van het staafje, dat via het tandvlees in de mondholte uitsteekt, zitten kleine buisjes met haakjes of inbus slotjes die aan een vaste beugel kunnen worden bevestigd. Het hulpmiddel wordt tijdelijk in de kaak geplaatst om er krachten aan te ontlenen voor het orthodontisch verplaatsen van gebitselementen en kaken. Het zygoma-anker is een voorbeeld van een bollard. Het type orthodontisch implantaat is ontworpen door de Brusselse orthodontist dr. Hugo De Clerck.

Boley passer
Een in de orthodontie veelgebruikte passer om afstanden tussen tandheelkundige structuren, zoals gebitselementen, te meten.

Bolton-analyse
Analyse voor het berekenen van de grootteverhouding tussen de kronen van de onder- en bovengebitselementen om na te gaan of er sprake van een tooth size discrepancy (TSD) is.

Bolton Standards
Door de Amerikaanse orthodontist Birdsall Holly Broadbent onder meer met zijn zoon orthodontist Birdsall Holly Broadbent jr. ontwikkelde standaardwaarden waarmee afwijkingen in de groei van de schedel en kaken en de ontwikkeling van het gebit kunnen worden vergeleken. De waarden zijn ontleend aan het Bolton-Brush lange termijn onderzoek dat van 1929 tot 1959 is uitgevoerd bij blanke Amerikaanse kinderen uit Cleveland, Ohio. 

Bone graft
Stuk bot dat chirurgisch ergens in het lichaam wordt weggenomen om daarmee vervolgens op een andere plaats bot te kunnen aanvullen. Wordt ook bottransplantaat genoemd.

Bonding agent
Hechtmiddel dat bij het plakken van een bracket, buis, attachment of spalk de aanhechting tussen composiet en gebitselement bevordert.

Bone anchored maxillary protraction (BAMP)
Behandelingstechniek met botankers in de onder en bovenkaak.

Boog
Metalen draad die in de slotjes en buizen van een vastzittende beugel wordt bevestigd. Wordt ook wel orthodontische boog genoemd.

Boogschroef
Speciale schroef in een uitneembare onderbeugel. De schroef is tweedelig en bestaat uit een schroefgedeelte dat tijdens het uitdraaien zorgt voor verbreding van de beugel en een boogvormige staaf waarom de beide helften van de plaat geleid worden. Hierdoor treedt bij het uitdraaien van de schroef een waaiervormige verbreding van de beugel op.

Boor
Een hulpstuk dat in een hand- of hoekstuk kan worden geplaatst om door middel van draaiende bewegingen gaten aan te brengen.

Bootschedel
Langwerpige, smalle schedel als gevolg van te vroege sluiting van een schedelnaad. Wordt ook scafocefalie genoemd.

Booy
C. (Kees) Booy was een Groningse hoogleraar (1921-2013) die vanaf 1959 de vastzittende beugel (plaatjesbeugel), en dan met name de Begg beugel, in Nederland en de rest van Europa heeft geïntroduceerd. Naar hem vernoemd is de Booy Foundation, een stichting die scholing en nascholing op het gebied van de orthodontie organiseert.

Booy Foundation
Een in 1988 opgerichte naar professor Booy vernoemde Nederlandse stichting die cursussen en congressen op het gebied van de orthodontie organiseert.

BOS
British Orthodontic Society (BOS), de Engels wetenschappelijke beroepsvereniging van orthodontisten.

Bot
Os.

Botanker
Metalen staafje dat tijdelijk in de kaak wordt bevestigd en waaraan krachten kunnen worden ontleend voor het orthodontisch verplaatsen van gebitselementen en kaken.

Botappositie, botdepositie
Botaanmaak.

Botaugmentatie
Botvergroting.

Botdehiscentie
Deel van de rand van de tandkas waarbij het bot ontbreekt en de wortel van een gebitselement niet door bot wordt bedekt. Wordt ook wel dehiscentie genoemd.

Botfenestratie
Deel van de tandkas waarbij het bot plaatselijk ontbreekt en de wortel van een gebitselement niet door bot wordt bedekt. Wordt ook wel fenestratie genoemd.

Bot remodelling
Botombouw door appositie en resorptie van bot.

Botresorptie
Botafbraak.

Bottransplantaat
Stuk bot dat chirurgisch ergens in het lichaam wordt weggenomen om daarmee vervolgens op een andere plaats bot te kunnen aanvullen. Wordt ook bone graft genoemd.

Bottransplantatie
Chirurgische procedure waarbij ergens in het lichaam bot wordt weggenomen om daarmee vervolgens op een andere plaats bot te kunnen aanvullen (bottransplantaat of bone graft).

Botverankering
Orthodontische verankering met metalen implantaat dat tijdelijk in de kaak wordt bevestigd en waaraan krachten kunnen worden ontleend voor het orthodontisch verplaatsen van gebitselementen en kaken. Wordt ook wel skelettale verankering genoemd.

Brachycefaal
Antropologische aanduiding voor een brede schedel.

Bracket
Slotje van een vastzittende beugel.

Bracketpincet
Pincet waarmee een bracket bij het plaatsen van een vastzittende beugel kan worden vastgehouden.

Bracket slot
Inkeping in bracket voor de boog.

Bracket verwijder tang
Instrument om een bracket van een gebitselement te verwijderen.

Broadbent
Birdsall Holly Broadbent (1894-1977) was een Amerikaanse orthodontist die in 1931 een methode om met behulp van een cefalostaat gestandaardiseerde schedelröntgenfoto's te maken beschreef. In hetzelfde jaar introduceerde de Duitse kaakchirurg Hofrath onafhankelijk van hem eenzelfde methode, die hij gebruikte voor vooronderzoek bij operatieve correcties van de kaakstand. Broadbent paste de apparatuur toe voor lange termijn studies van de schedel- en kaakgroei en gebitsontwikkeling en publiceerde op basis daarvan de bekende 'Bolton Standards'. Dat deed hij onder meer met zijn zoon, Birdsall Holly Broadbent jr., ook een orthodontist. Met behulp van de Bolton Standards kunnen afwijkingen in de groei van de schedel en kaken en de ontwikkeling van het gebit met standaardwaarden worden vergeleken. Er zijn verder talloze cefalometrische analyses ontwikkeld die door orthodontist bij het diagnosticeren van orthodontische afwijkingen worden gebruikt, zoals die van Steiner en Downs in de Verenigde Staten en die van Schwarz in Europa.

Brodie
Professor Alan G. Brodie (1897-1976). Bekende Amerikaanse hoogleraar orthodontie die een veel geciteerde, lange termijn studie naar de groei van de schedel en kaken en de ontwikkeling van het gebit van kinderen in de leeftijd van 3 maanden tot 8 jaar heeft uitgevoerd. Er is ook een bepaald type gebitsafwijking naar hem vernoemd (Brodie bite of Brodie syndroom). Brodie was opgeleid door Edward H. Angle, die beschouwd als de 'vader van de moderne orthodontie'. 

Brodie bite (Brodie syndroom)
Gebitssituatie waarbij alle gebitselementen van de ondertandboog zich bij dichtbijten volledig binnen die van de boventandboog bevinden. De term is geïntroduceerd door de Amerikaanse hoogleraar orthodontie Alan G. Brodie. De gebitsafwijking wordt ook telescoopbeet genoemd. 

Brug
Vervanging van afwezige gebitselement(en) door middel van gegoten voorzieningen die aan naburige gebitselementen bevestigd zijn. Er worden twee hoofdtypen bruggen onderscheiden: conventionele brug of etsbrug. Bij de conventionele brug zit de vervangende voorziening (pontic) vast aan kronen die op de aangrenzende gebitselementen zijn gemaakt. Bij een etsbrug wordt het vervangende gedeelte met een hechtmiddel via vleugelvormige uitsteeksels aan het glazuur aan de achterzijde van deze elementen bevestigd.

Brugnaald
Plastic naald om (tand)floss onder een spalk (of brug) te leiden. Wordt ook wel flossnaald genoemd.

Bruistablet
Tablet die in een beker of bakje water kan worden gedaan om een uitneembare beugel te reinigen. Wordt ook wel reinigingstablet genoemd.

Bruxisme
Tandenknarsen.

Bucca
Wang.

Buccaal
Aan de wangzijde.

Buccale corticotomie
Chirurgische ingreep de bovenkaak ten behoeve van sutuurexpansie door middel van het aanbrengen van horizontale zaagsnedes in de compacte botlaag aan de wangzijde van de kaak wordt verzwakt. De ingreep maakt deel uit van Surgically Assisted Rapid Maxillary Expansion (SARME), waarbij tevens een voor-achterwaartse zaagsnede in het midden van het gehemelte wordt aangebracht.

Buis
Buis op een kies waarin de boog van een vastzittende beugel kan worden bevestigd. Een buis kan op een band om de kies zijn gelast of op de kies geplakt zijn (plakbuis).

Buis van Eustachius
Tuba auditiva.

Buitenbeet
Bovenkies bijt te ver naar buiten ten opzichte van onderkiezen. Wordt ook exo-occlusie genoemd.

Buitenbeugel
Uitneembare beugel met een petje op het hoofd of een band in de nek.

Burlington groei-onderzoek
Een door de Amerikaanse orthodontist professor Robert Moyers aan de universiteit van Toronto opgezet lange termijn onderzoek naar de groei van de schedel en kaken en de ontwikkeling van het gebit van 1258 blanke kinderen uit de vlakbij Toronto gelegen stad Burlington. Op basis van dit onderzoek zijn standaardwaarden ontwikkeld waarmee afwijkingen in de groei van de schedel en kaken en de ontwikkeling van het gebit van kinderen kunnen worden vergeleken.

Burstone
Professor Charles Burstone (1928–2015) was een Amerikaanse hoogleraar orthodontie, die een veelgebruikte modificatie van de straightwire bracket van Andrews en een hieraan gerelateerde behandelingstechniek heeft geïntroduceerd. Hij heeft zich tevens intensief beziggehouden met onderzoek naar de biomechanica van vastzittende beugels en op basis hiervan een behandeltechniek ontwikkeld.

Button
Knopje dat op een tand of kies wordt bevestigd om er een elastiekje aan vast te kunnen maken.

Calcificatie
Afzetting van kalkzouten in weefsel. Tevens de vorming van glazuur tijdens de ontwikkeling van een gebitselement in de kaak.

Canalis mandibularis
Kanaal in het horizontale deel van de onderkaak voor de nervus alveolaris inferior. Het kanaal loopt van het foramen mandibulae onder de wortels van de gebitselementen door tot aan het foramen mentale. De structuur wordt gebruikt bij locale superposities van de onderkaak. Naar verhouding vindt er ter plaatse van de canalis mandibularis weinig groei plaats. 

Caplin hook
Klein oogje dat op een tand of kies wordt bevestigd om er een ligatuur aan vast te kunnen maken.

Caput mandibulae
Kaakkopje. Wordt ook condylus genoemd.

CARA
Chronische niet-specifieke respiratoire aandoening.

Cariës
Gaatje in gebitselement veroorzaakt door plaque.

Carriere Motion appliance
Vastzittende beugel die bestaat uit metalen deelbogen tussen de bovenhoektanden en de eerste grote bovenkiezen en brackets op de eerste of tweede grote onderkiezen. Daarnaast wordt er een uitneembare dieptrekplaat over het ondergebit of een metalen boog langs de binnenzijde van het gebit tussen de eerste grote onderkiezen gedragen. Er worden elastiekjes tussen haakjes op de deelbogen ter plaatse van de bovenhoektanden en de brackets op de onderkiezen bevestigd. De beugel is ontworpen door de Spaanse orthodontist Luis Carrière.

Case
De Amerkaanse orthodontist professor Calvin S. Case (1847-1923) was een van de grondleggers van de moderne orthodontie.

Casus
Beschrijving van patiëntenbehandeling.

Caudaal
Aan de onderzijde of naar beneden gericht.

Cavum oris
Mond.

CBCT
CBCT staat voor cone beam computer tomogram. Het is een driedimensionale röntgenfoto van het hoofd, het gezicht of de kaken. CBCT wordt ook wel meerdimensionale kaakfoto genoemd.

CBT, Centrum voor Bijzondere Tandheelkunde
Centrum waarin tandartsen zich bezighouden met de diagnostiek en behandeling van patiënten met ernstige aandoeningen aan aangezicht, mond, kaken of gebit. Deze specifieke tandheelkundige zorg wordt bijzondere tandheelkunde genoemd.

C-C-bar, C-C-retainer
Metalen draad die na afloop van een orthodontische behandeling achter de voortanden kan worden geplaatst om het gebit na afloop zo goed mogelijk in de rij te houden. De C-C-bar werd in 1977 door de Noorse orthodontist Zachrisson geïntroduceerd en wordt ook wel retentiespalk genoemd. Andere benamingen zijn: spalk(je) of retentiespalk.

Cefalogram
Gestandaardiseerde röntgenfoto van het hoofd. Wordt ook röntgencefalogram genoemd.

Cefalometrie, cefalometrische analyse
Analyse van de stand van de gebitselementen en de kaken aan de hand van metingen op een gestandaardiseerde röntgenfoto van het profiel van het gezicht (laterale schedelröntgenfoto). De termen ook wel röntgencefalometrie en röntgencefalometrische analyse genoemd.

Cefalometrisch meetpunt
Meetpunt op een gestandaardiseerde röntgenfoto van het profiel van het gezicht (laterale schedelröntgenfoto) die gebruikt wordt voor de analyse van de stand van de gebitselementen en de kaken.

Cefalometrisch referentievlak
Verbindingslijn tussen twee meetpunten op een gestandaardiseerde röntgenfoto van het profiel van het gezicht (laterale schedelröntgenfoto) die gebruikt wordt voor de analyse van de stand van de gebitselementen en de kaken.

Cefalostaat
Apparaat om het hoofd in een bepaalde positie te fixeren zodat er op gestandaardiseerde wijze reproduceerbare röntgenfoto’s gemaakt kunnen worden. In 1931 is de cefalostaat door de Amerikaan Broadbent en de Duitser Hofrath onafhankelijk van elkaar tegelijkertijd in de orthodontie geïntroduceerd.

Cement
Hechtmiddel waarmee banden om kiezen worden vastgezet. Cement is ook de weefsellaag die de wortel van een gebitselement bedekt.

Cementoblast
Cel die de weefsellaag die de wortel van een gebitselement bedekt (cement) maakt.

Centraal College (C.C.)
Instantie voor erkenning en registratie van tandheelkundige specialisten.

Centraal diasteem
Ruimte (spleet) tussen de middelste snijtanden.

Centrale incisief
Middelste snijtand.

Centrale occlusie (CO)
De occlusie waarbij de onderkaak zich in centrale relatie ten opzichte van de schedel bevindt. Wordt ook retruded contact position (RCP) genoemd.

Centrale maximale occlusie
De occlusie in de centrale relatie (CO) waarbij de onderkaak zich tevens in de maximale occlusie (MO) bevindt.

Centrale relatie (CR)
Relatie van de onderkaak ten opzichte van de schedel waarbij de Frankfurter Horizontale horizontaal verloopt en de beide kaakkopjes zich in de meest ongedwongen stand in de fossae articulares bevinden. 

Centrum voor Bijzondere Tandheelkunde (CBT)
Centrum waarin tandartsen zich bezighouden met de diagnostiek en behandeling van patiënten met ernstige aandoeningen aan aangezicht, mond, kaken of gebit. Deze specifieke tandheelkundige zorg wordt bijzondere tandheelkunde genoemd.

Certificering
Onderdeel van het verplichte kwaliteitsprogramma van orthodontisten, waarbij elke praktijk gecertificeerd dient te zijn en minimaal aan de ISO 9001 norm moet voldoen. Bij de certificering wordt de praktijkorganisatie onder de loep genomen. Iedere gecertificeerde orthodontistenpraktijk ontvangt het branchecertificaat van de Nederlandse Vereniging van Orthodontisten (NVvO). 

Cervicaal
Aan de tandhalszijde van een gebitselement.

Cervicale headgear
Buitenbeugel met een band in de nek. Wordt ook wel Kloehn headgear genoemd, naar de Amerikaanse orthodontist die de beugel geïntroduceerd heeft.

Cervical vertebral maturation (CVM)
Methode voor het bepalen van de resterende hoeveelheid (kaak)groei op basis van de met de groei samenhangende vormveranderingen van de halswervels zoals die op een laterale schedelröntgenfoto kan worden waargenomen.

Chain
Ketting van elastiekjes. Wordt ook wel power chain genoemd.

Cheiloschisis
Lipspleet.

Chemisch uithardend composiet
Hechtmiddel voor het plakken van een bracket, buis, attachment of spalk dat uit zichzelf uithardt.

Chip
Met behulp van een in een uitneembare beugel ingebouwde electronische chip kan de draagtijd worden geregistreerd. Deze kan door de behandelaar met een apparaat, dat de door de chip geregistreerde draagtijd gegevens uitleest, worden gemeten.

Chirurgische orthodontie
Orthodontische behandeling in combinatie met kaakoperatie.

Chloorhexidine digluconaat, chloorhexidine
Middel dat in de tandheelkunde wordt gebruikt om het ontstaan van plaque tegen te gaan. Chloorhexidine digluconaatoplossingen worden vaak in mondspoelmiddelen en lepels met gels gebruikt.

Choana
Overgang tussen neusholte en neus-keelholte.

Chondrocranium
Botten van de schedelbasis die merendeels uit kraakbeen zijn ontstaan (enchondrale verbening). Het chondrocranium bestaat uit de volgende zes schedelbeenderen of aan de onderzijde van de schedel gelegen delen daarvan: os frontale, os sphenoidale, os ethmoidale, os temporale (2), os occipitale. Het chondrocranium wordt ook wel de schedelbasis genoemd.

Cinching
Aan de achterzijde ombuigen van een boog bij een vastzittende beugel.

Circle
Lusje in de boog van een vastzittende beugel waar elastiekjes aan kunnen worden vast gemaakt.

Clear aligner
Dun, doorzichtig plastic hoesje waarmee het gebit rechter kan worden gemaakt. Het hoesje is uitneembaar en past op het boven- en/of ondergebit. Het is vrijwel niet te zien. Bij de behandeling wordt een serie hoesjes gebruikt, die allemaal net een klein beetje van elkaar verschillen. Door een hoesje tijdens de behandeling telkens te vervangen door een nieuwe wordt het gebit geleidelijk steeds rechter gezet. Een clear aligner wordt ook wel aligner of onzichtbare beugel genoemd.

Clear retainer
Dun, doorzichtig plastic hoesje om het gebit na een orthodontische behandeling recht te houden. Het hoesje is uitneembaar en past op het boven- en/of ondergebit. Het is vrijwel niet te zien. Een clear retainer wordt ook invisable retainer genoemd.

Cleat
Vlinderdasvormig haakje dat op een gebitselement wordt bevestigd om er elastiekjes aan vast te kunnen maken.

Cleft Palate-Craniofacial Journal
Amerikaans wetenschappelijk tijdschrift voor schisis (hazenlip) en ernstige groeistoornissen van de schedel en het gelaat (craniofaciale afwijkingen). Het tijdschrift wordt door de American Cleft-Palate-Craniofacial Association uitgegeven.

Clin check
Een door een computerprogramma opgesteld digitaal, driedimensionaal behandelplan dat bij de behandeling met (clear) aligners of onzichtbare beugels wordt gebruikt.

Clip
Klein verschuifbaar metalen buisje dat bij een vastzittende beugel met een tang om een boog kan worden bevestigd.

Clivus
Het achterste deel van de schedelbasis. Het gebied tussen sella (Se) en basion (Ba).

Closing loop
Lus in boog van een vastzittende beugel om een diasteem te verkleinen.

CMD (craniomandibulaire dysfunctie)
Kaakgewrichtklachten. Wordt ook wel TMD (temporomandibulaire dysfunctie) genoemd.

Coffin veer
Bepaald type metalen draad die twee helften van een uitneembare beugel met elkaar verbindt. De veer werd in 1869 voor het eerst door de Engelse tandarts Coffin toegepast.

Coil
Klein veertje om bij een vaste beugel tanden en kiezen naar elkaar toe te trekken (closed coil) of van elkaar af te duwen (push coil of open coil). Wordt ook wel coil spring genoemd.

Collageen
Bindweefsel.

Composiet
Kunststof hechtmiddel dat wordt gebruikt bij het plakken van een bracket, buis, attachment of spalk. Composiet wordt ook gebruikt voor vullingen.

Compressie
Het versmallen van kaak en gebit.

Compromisbehandeling
Een behandeling waarbij een afwijking ten dele behandeld wordt.

Concha nasalis
Neusschelp. Van beneden naar boven zijn er vier conchae: concha nasalis inferior (onderste), media (middelste), superior (bovenste) en suprema (rudimentaire allerbovenste).

Condylar shave
Chirurgische verwijdering van het oppervlakkige artrotische deel van het kaakkopje.

Condylectomie
Operatieve verwijdering van het kaakkopje.

Condylus
Kaakkopje. Wordt ook caput mandibulae genoemd.

Cone beam computer tomogram
Cone beam computer tomogram (CBCT) is een driedimensionale röntgenfoto van het hoofd, het gezicht of de kaken. De foto wordt ook wel meerdimensionale kaakfoto genoemd.

Congenitaal
Aangeboren.

Constructiebeet
Een ingebeten rol was waarmee de onder- en bovengebitsmodellen voor het maken van een activator ten opzichte van elkaar georiënteerd kunnen worden.

Contactpunt
Punt waar twee gebitselementen elkaar raken.

Contaminatie
Besmetting.

Continue kracht
Kracht die dezelfde krachtgrootte blijft houden.

Convergent
Kleine voorste onderste gezichtshoogte. Meestal is de onderkaak hierbij omhoog en naar voren gedraaid.

Convertible buis
Buis waarvan de buitenzijde kan worden geopend.

Coöperatie
Medewerking van patiënt en ouders en verzorgers aan de behandeling.

Cor pulmonale
Longziekte die falen van de rechterhartkamer veroorzaakt.

Corpus alienum
Een lichaamsvreemd voorwerp dat in het lichaam terecht is gekomen.

Corpus mandibulae
Het horizontale gedeelte van de onderkaak.

Cortex
De buitenste laag van een bot.

Corticotomie
Chirurgisch aanbrengen van een zaagsnede in de buitenste laag van een bot.

CPAP
CPAP staat voor Continuous Positive Airway Pressure ofwel continue positieve luchtwegdruk. Bij deze apparatuur wordt met een pomp via een masker lucht door de neus en eventueel mond geblazen. De positieve druk voorkomt collaps van de bovenste luchtweg en daarmee obstructieve apneus en hypopneus. CPAP wordt veel gebruikt bij de behandeling van het obstructieve slaapapneu syndroom (OSAS).

Craniaal
De kant van de schedel. Ook: betreffende de schedel.

Cranial base registration
Superpositie van tracings op de endocraniale oppervlakken van de lamina cribosa van het os ethmoidale, het tuberculum sellae en de voorwand van de fossa hypophysealis van de voorste schedelbasis. Omstreeks de leeftijd van 1 jaar vindt daar geen groei meer plaats. Meestal gaat het om veranderingen van gebit, kaken en profiel tijdens de groeiperiode. De superpositie wordt ook wel totale superpositie genoemd.

Craniosynostosis
Het te vroeg sluiten van een schedelnaad (sutuur).

Craniofaciaal
Betreffende de schedel en het aangezicht.

Craniofaciale afwijking
Aangeboren afwijking van de schedel en het aangezicht. 

Craniomandibulaire dysfunctie
Kaakgewrichtklachten. Wordt ook wel TMD (temporomandibulaire dysfunctie) genoemd.

Cranium
Schedel.

Crefcoeur veer
Bepaald type metalen veer die twee helften van een uitneembare beugel met elkaar verbindt. De beugel zelf wordt ook aangeduid als Crefcoeur apparaat. Uitgevonden door de Maastrichtse orthodontist Jef Crefcoeur.

Crimpable hook
Haakje dat bij een vastzittende beugel met een tang aan een boog kan worden vastgeknepen.

Crimpable stop
Klein metalen klemmetje dat bij een vastzittende beugel met een tang om een boog kan worden vastgeknepen. Wordt ook wel crimpable stop (Eng.)genoemd.

Crowding
Gedrongen stand van gebitselementen.

Crozat apparaat
Uitneembare beugel die in 1918 is geïntroduceerd door de George B. Crozat (1894-1966), een Amerikaanse orthodontist uit New Orleans (Louisiana). De beugel bestaat uit aan elkaar gesoldeerde gegoten metalen draaddelen. Oorspronkelijk was de beugel in goud uitgevoerd, maar later werd het apparaat van minder kostbare metalen gemaakt.

Crypte
Holte in kaakbot voor tandkiem.

CTS
College Tandheelkundige Specialismen. Regelgevende orgaan dat bepaalt aan welke eisen de specialistenopleidingen, opleiders en de opleidingsinrichtingen moeten voldoen om in aanmerking te komen voor erkenning door de Registratiecommissie Tandheelkundige Specialismen (RTS). Het CTS bepaalt ook de eisen voor (her-)registratie.

CT-scanning
Computerized tomography scanning. Een techniek waarbij met behulp van een computer een driedimensionaal röntgenologisch beeld van een lichaamsdeel kan worden gemaakt.

Cubus cranioforus
Kubus waarin een aangezichtsafgietsel en gebitsmodel kunnen worden geplaatst voor het driedimensionaal beoordelen van de onderlinge relatie van het gebit en de aangezichtsschedel. Deze historische diagnostische methode werd in 1915 door de Utrechtse lector orthodontie dr. J.A.W. van Loon (1876-1940) in het destijds toonaangevende internationale tijdschrift Dental Cosmos geïntroduceerd. Later ontwikkelde van Loon een vereenvoudigde versie van deze methode, de prosoposcoop (1923).

Curettage
Het verwijderen van ontstoken pocket weefsel met tandheelkundige instrumenten.

Curve van (Von) Spee
Lijn die van opzij gezien de knobbelpunten van de molaren, premolaren en cuspidaten van de onderkaak met elkaar verbindt. De curve is vernoemd naar de Duitse embryoloog Ferdinand Graf Von Spee (1855-1937), die deze lijn voor het eerst beschreef. Bij een diepe curve van Spee liggen de knobbelpunten van de onderpremolaren meer omlaag ten opzichte van die van de molaren en hoektanden. Indien de knobbelpunten van de onderpremolaren zich hoger ten opzichte van die van de molaren en hoektanden bevinden, wordt gesproken van een omgekeerde  of reversed curve van Spee.

Cuspidaat
Hoektand.

Cuspidaatgeleiding, hoektandgeleiding
Situatie waarbij uitsluitend de onder- en bovenhoektanden aan de kant waarnaar de onderkaak zijwaarts wordt geschoven met elkaar in contact blijven. 

Cutter
Instrument om metalen draaddelen af te knippen.

Cyste
Goedaardig tumor gevuld met vocht.

Dappendish, dappenglaasje
Klein kommetje waarin bijvoorbeeld polijstpasta kan worden gedaan.

Debanderen
Verwijderen van banden.

Debonderen
Verwijderen van geplakte brackets, buizen en attachments.

Decalcificatie
Ontkalking van het glazuur van de kroon van een gebitselement. Een beginstadium van het cariësproces.

Decoronatie
Verwijdering van de kroon van een gebitselement.

De face
Van voren. Wordt ook en face genoemd.

Dehiscentie
Deel van de rand van de tandkas waarbij het bot ontbreekt en de wortel van een gebitselement niet door bot wordt bedekt. Wordt ook wel botdehiscentie genoemd.

Dekbeet
Gebitsafwijking waarbij het ondergebit ten opzichte van het bovengebit in voor-achterwaarste zin te ver naar achteren ligt en waarbij de beide centrale incisieven naar binnen en de laterale incisieven naar buiten gekipt staan. Soms staan ook alle bovenincisieven naar binnen gekipt. De gebitsafwijking wordt ook wel (Angle) Klasse II/2 malocclusie genoemd.

Delaire
Buitenbeugel die op het gezicht afsteunt, vernoemd naar de Franse kaakchirurg professor Jean Delaire, de uitvinder van de beugel. De beugel wordt onder meer ook wel face mask, omgekeerde headgear, reverse-headgear of protractie face mask genoemd.

Denholz
Metalen draad met kunsthars verdikking die tussen de onderlip en het ondergebit loopt. Dit type lipbumper is in 1964 door M. Denholtz voor het eerst beschreven.

Dens
Tand.

Dens in dente, dens invaginatus
Misvorming van een tand waarbij het glazuur aan de binnenzijde zeer diep naar binnen is ingestulpt.

Dentaal
Betreffende gebitselementen.

Dentale afwijking
Orthodontische afwijking die wordt veroorzaakt door een verkeerde stand van gebitselementen.

Dental floss
Tandzijde om de ruimte tussen gebitselementen te reinigen. Wordt ook wel floss genoemd.

Dentine
Weefsellaag onder het glazuur en cement van een gebitselement. Wordt ook wel tandbeen genoemd.

Dentoalveolair
Met betrekking tot gebitselementen en tandkassen.

Dentomaxillaire orthopedie
Deelvakgebied van de tandheelkunde dat zich bezig houdt met het verbeteren van de stand van gebitselementen en kaken door middel van beugels. Wordt tegenwoordig meestal orthodontie genoemd.

Dentz
Nederlandstalig tijdschrift voor tandartsen en tandarts-specialisten dat wordt uitgegeven door de ANT.

Derde molaar
Verstandskies. De achter de eerste en tweede blijvende molaar gelegen blijvende kies.

Derichsweiler-apparaat
Vastzittende beugel met een schroef waarmee in korte tijd de bovenkaak en het bovengebit kan worden verbreed door het openen van de schedelnaad (sutuur) in de bovenkaak. Deze behandeling heet snelle sutuurexpansie, rapid maxillary expansion (RME) of rapid palatal expansion (RPE). De beugel is een sutuurexpansie-apparaat. Bij de beugel wordt een groot gedeelte van het gehemelte met kunsthars bedekt. Patiënten noemen de beugel vaak een spin.

Desmale verbening
Botvorming waarbij bot vanuit bindweefsel in de vorm van een band (desmos) wordt afgezet. Wordt ook intramembraneuze verbening genoemd.

Desmocranium
Deel van de schedel dat uit embryonaal bindweefsel (mesenchym) gevormd is (desmale verbening). Het bestaat uit de volgende zes plaatvormige schedelbeenderen of platte delen daarvan: os frontale, os parietale (2), pars squamosa van het os temporale (2) en het buitenste deel van os occipitale.

Detailing
Kleine tandbewegingen tijdens de eindfase bij behandeling met een vastzittende beugel.

Dexter, dextrum, dextra
Rechtszijdig. Dextrum is het manlijke en dextra het vrouwelijke bijvoeglijk naamwoord. 

Diagnostische set-up
Nabootsing van het eindresultaat met gebitsmodellen waarvan gebitselementen zijn losgemaakt. Wordt ook wel set-up genoemd.

Diasteem
Ruimte (spleet) tussen twee gebitselementen.

Diepe beet
Grote verticale overlap van onder- en bovensnijtanden bij dichtbijten.

Dieptrekplaat
Een dunne, doorzichtige plastic hoes die precies over het onder- of bovengebit past en die het eindresultaat van een orthodontische behandeling zo goed mogelijk vasthoudt.

Differentiatie
Speciale opleiding voor tandartsen die gericht is op een bepaald onderdeel van het vakgebied.

Digitaal model
Driedimensionaal gebitsmodel dat via scannen van gebit, afdruk of model in gips in de computer is opgeslagen. 

Digitale röntgenfoto
Röntgenfoto die op digitale wijze met een stralingsgevoelige sensor en niet op chemische wijze met ontwikkelaar en fixeer op chemische wijze is gemaakt.

Dilaceratie
Knik tussen de kroon en wortel van een gebitselement, als gevolg van een trauma tijdens de ontwikkeling.

Dynamische occlusie
In de tandheelkunde wordt met articulatie bedoeld: elk glijdend contact tussen tanden en kiezen van de onder- bovenkaak. Wordt ook articulatie genoemd.

Direct bonding
Het direct met de hand plakken van slotjes op gebitselementen.

Discipline
Vakgebied.

Disclusie
Afwezigheid van contact tussen onder- en bovengebitselementen bij glijdende bewegingen van de onderkaak.

Discus articularis
Gewrichtsschijf in het kaakgewricht.

Dished in profiel
Ingevallen mondpartij.

Distaal
In de gebitsboog naar achteren gericht.

Distaal afsluitingsvlak
De achterzijden van de bij dichtbijten tegen elkaar staande tweede onder- en bovenmelkkiezen van opzij gezien. Indien deze zich recht ten opzichte van elkaar bevinden spreekt men van een recht afsluitingsvlak. In het geval dat de achterzijde van de tweede ondermelkkies zich voor die van de tweede bovenmelkkies bevindt is er sprake van een afsluitingsvlak met een mesiale stap. Ligt de achterzijde van de tweede ondermelkkies achter die van de tweede bovenmelkkies dan is er een afsluitingsvlak met een distale stap. Het afsluitingsvlak heeft tijdens de gebitsontwikkeling een grote invloed op de voor-achterwaartse onderlinge stand van de eerste blijvende grote kiezen. Distaal afsluitingsvlak wordt ook wel afsluitingsvlak genoemd.

Distal end
Het uiteinde van de boog van een vastzittende beugel.

Distal end cutter
Tang om bij een vastzittende beugel de uiteinden van een boog in te korten.

Distal end cutter
Tang om bij een vastzittende beugel de uiteinden van een boog in te korten.

Distaliser
Een bovenbeugel waarmee de blijvende eerste bovenmolaren zonder buitenbeugel naar achteren kunnen worden verplaatst. De beugel is aan de voorzijde met ankers, banden of composiet aan bovenpremolaren bevestigd. Aan de voorzijde van de beugel kan een kunsthars gedeelte (pelotte) zitten, dat tegen het gehemelte afsteunt. De beugel kan ook aan tijdelijke implantaten in het gehemelte bevestigd zijn. De eerste molaren worden met veren of schroeven naar achteren bewogen. De beugel wordt ook molar distalizer genoemd.

Distaliseren
In de gebitsboog naar achteren bewegen van gebitselement.

Disto-occlusie
Ondergebitselementen staan ten opzichte van het bovengebitselementen in voor-achterwaarste zin te ver naar achteren. Wordt ook Klasse II-occlusie genoemd.

Distractie
Procedure waarbij een kaak na het chirurgisch doorzagen van de buitenste botlaag met in het bot bevestigde schroeven en een uitdraaimechanisme wordt verlengd. Wordt ook wel distractie-osteogenese of osteodistractie genoemd.

Divergent
Grote voorste onderste gezichtshoogte. Meestal is de onderkaak hierbij omlaag en naar achteren gedraaid.

DMO
Dento-Maxillaire Orthopedie, het deelvakgebied van de tandheelkunde dat zich bezig houdt met het verbeteren van de stand van gebitselementen en kaken door middel van beugels. Wordt tegenwoordig meestal orthodontie genoemd.

Doctor
Iemand die na het doen van onderzoek en het schrijven en verdedigen van het onderzoeksverslag (academisch proefschrift of dissertatie) de hoogste academische graad (doctoraat) in zijn studierichting heeft behaald. De titel doctor wordt vaak tot dr. afgekort.

Documentatie
Het materiaal en de informatie die de orthodontist gebruikt voor het diagnosticeren van de orthodontische afwijking en het plannen van een beugelbehandeling. De documentatie bestaat onder meer uit de medische en tandheelkundige gegevens van de patiënt, foto's en röntgenfoto's van de kaken en het gebit en gebitsmodellen. Met behulp van de documentatie kunnen ook de voortgang en het resultaat van een orthodontische behandeling worden beoordeeld.

Doligocefaal
Antropologische aanduiding voor een smalle schedel.

Doorbraak
Het door het tandvlees doorbreken van een tan of kies.

Doorbraakleeftijd
De leeftijd die wordt bepaald door het aantal doorgebroken tanden en kiezen.

Doorverwijzing
Een verwijzing of doorverwijzing in de zorgverlening houdt in dat een zorgverlener een patiënt naar een andere zorgverlener doorstuurt. In het geval een tandarts een patiënt naar een collega tandarts doorstuurt, wordt dit horizontale verwijzing genoemd. Wanneer een tandarts een patiënt naar een specialist verwijst, heet dit verticale verwijzing. Na consultatie, onderzoek en/of behandeling door de zorgverlener naar wie de patiënt is verwezen vindt terugverwijzing naar de verwijzer plaats.

Dorsaal
Aan of naar de rugzijde.

Double tube
Attachment met twee buizen dat op een kies kan worden bevestigd. In de openingen van de buizen kunnen bogen, boogdelen (sectionals), een lipbumper of een facebow worden geplaatst.

DP (dubbele propositie)
Situatie waarbij de onder- en boventanden zich relatief ver naar voren in het gezicht bevinden.

Draadkniptang
Tang om bij vastzittende beugels bogen mee door te knippen.

Driedimensionaal printmodel
In kunststof geprinte kopie van het gebit. Het driedimensionale printmodel is gemaakt nadat het via scannen van gebit, afdruk of model in gips in de computer is opgeslagen.  Een driedimensionaal printmodel wordt ook printmodel genoemd.

Driedimensionale schroef
Schroef in uitneembare apparatuur die in drie richtingen kan worden uitgedraaid. Wordt ook multisectorenschroef genoemd.

Driepuntstang
Tang met drie bekken.

Dr.
Afkorting van doctor. Iemand die na het doen van onderzoek en het schrijven en verdedigen van het onderzoeksverslag (academisch proefschrift of dissertatie) de hoogste academische graad (doctoraat) in zijn studierichting heeft behaald.

Drukplek
Pijnlijke zweer door druk van een beugel of prothetische voorziening. Wordt ook wel drukplaats, druknecrose of drukulcus genoemd.

Dubbelblind onderzoek
Een wetenschappelijk onderzoek waarbij de proefpersoon noch de onderzoeker gedurende het experiment weet wie tot de experimentele groep en tot de controlegroep behoort.

Dubbele propositie (DP)
Situatie waarbij de onder- en boventanden relatief zich relatief ver naar voren in het gezicht bevinden.

Ducovator
Activator, ontwikkeld door de Hoogeveense orthodontist Duco Schotborgh.

Ductus
Buis of kanaal.

Duimzuigen
Gewoonte die er toe kan leiden dat de voortanden te ver naar voren en de ondertanden te ver naar achter kunnen gaan staan (overbeet). Daarnaast kunnen de voortanden door duimzuigen in verticale zin ook verder van elkaar af komen te staan (open beet).

Dummy
Kunsttandgedeelte van een brug.

Dwangbeet
Afwijkende sluitingsbeweging van de onderkaak als gevolg van een verkeerde stand van onder- en/of boven gebitselement(en).

Dysgnathie
Afwijkende kaakstand.

Dysostosis
Gestoorde botontwikkeling.

Dysostosis cleidocranialis
Gestoorde ontwikkeling van schedel- sleutelbeenderen. De aangeboren afwijking wordt ook wel syndroom van Marie Sainton genoemd.

Dysostosis craniofacialis
Gestoorde ontwikkeling van schedelbeenderen als gevolg van vroegtijdige verbening van schedelnaden. De erfelijke aandoening wordt ook wel syndroom van Crouzon genoemd.

Dysostosis mandibulofacialis
Gestoorde ontwikkeling van aangezichtsbeenderen, in het bijzonder van de onderkaak. Wordt ook wel aangeduid met de term vogelgezicht. De aangeboren gelaatsaandoening wordt tevens vaak gekenmerkt door laag staande buitenste ooghoeken, een open gehemelte (schisis) en onderontwikkelde oorschelpen. De aandoening wordt ook wel syndroom van Treacher Collins genoemd.

Dysostosis maxillofacialis
Gestoorde ontwikkeling van jukboog en bovenkaak met terugliggend middengezicht. De erfelijke aandoening wordt ook wel syndroom van Peters-Hövels genoemd.

Dystopie
Abnormale ligging van een tandkiem.

EBO
European Board of Orthodontics. Organisatie die namens de European Orthodontic Society (EOS) door middel van examens certificering van orthodontisten regelt.

Ectoderm
Het buitenste kiemblad van een embryo. Uit het ectoderm ontstaan de huid en het zenuwstelsel.

Ectodermale dysplasie
Erfelijke aandoening waarbij er sprake is van een aanlegstoornis in de groei en ontwikkeling van het ectoderm. De weefsels die uit dit embryoweefsel ontstaan, de huid en het zenuwstelsel, zijn daarbij aangedaan. Ook kunnen er gebitselementen ontbreken.

Ectopisch
Op een andere plaats dan normaal.

Ectostematisch, ectosteem
Buiten de gebitsboog.

Edentaat
Tandeloos.

Edgewise beugel
Vastzittende beugel met edgewise brackets die in 1928 door de Amerikaanse orthodontist Edward Angle geïntroduceerd is. De meeste huidige vaste beugels zijn hier op gebaseerd.

Edgewise bracket
Slotje van een edgewise vastzittende beugel. De slotopeningen van deze brackets vertonen in tegenstelling tot straightwire slotjes geen ingebouwde angulatie en inclinatie. Het slotje wordt daarom ook wel standaard edgewise bracket genoemd.

Edgewise tang
Tang om bogen van vastzittende beugels mee te kunnen buigen.

Eenheid
Een door het orthodontisch laboratorium gebruikte benaming voor een anker of draaddeel van een uitneembare beugel.

Eerste wisselfase
Periode in de gebitsontwikkeling waarin de eerste grote blijvende kiezen doorbreken en de snijtanden wisselen. Deze fase start meestal rond 6 jaar.

EFOSA
European Federation of Orthodontic Specialists Association. Europese federatie van nationale orthodontisten organisaties. Voor Nederland is lid de Nederlandse Vereniging van Orthodontisten (NVvO).

Ehlers-Danlos (EDS)
Het syndroom van Ehlers-Danlos (EDS) is een erfelijke aandoening met als belangrijkste kenmerk een stoornis in de aanleg van bindweefsel. Hierdoor kan het bindweefsel van gewrichten en tandwortelvlies verzwakt zijn.

Eigen bijdrage
De bijdrage die zorggebruikers zelf voor zorgverlening moeten betalen, voordat de zorgverzekeraar de kosten vergoedt.

Eigen risico
Het drempelbedrag dat zorggebruikers zelf eerst moet betalen voordat de zorgverzekeraar de kosten voor zorgverlening vergoed.

Eilandjes van Malassez
Epitheelresten van de schede van Hertwig die voor de vorming van het parodontale ligament zorgen.

Elasticiteit
De eigenschap van een weefsel of materiaal om de door een kracht veroorzaakte vervorming geheel of gedeeltelijk op te heffen.

Elasticiteitsmodulus E
Een maat voor de stijfheid of starheid van een materiaal. Bij dezelfde belasting vervormt een materiaal met een hoge elasticiteitsmodulus minder dan dat met een lage modulus. De elasticiteitsmodulus E is de aangebrachte rekspanning gedeeld door de relatieve lengteverandering (rek) en wordt uitgedrukt in N/m2 of Pa. Andere benamingen voor elasticitietsmodulus E zijn Youngs modulus en E-modulus.

Elastiek
Hulpmiddel voor het verplaatsen van gebitselementen bij een vastzittende beugel. De naam is ook van toepassing op het kleine elastiekje dat voor het vastzetten van een boog in een bracket wordt gebruikt (elastisch ligatuur of module).

Elastiek door de beet
Elastiek dat van de onder- en boven vastzittende beugel tussen de onder- en bovenkiezen door loopt.

Elastisch ligatuur
Klein elastiekje voor het bevestigen van een boog in een bracket bij een vastzittende beugel. Wordt ook wel module of elastiekje genoemd.

Electronische chip
Chip in uitneembare beugel om de therapietrouw van de patiënt bij het dragen ervan te meten.

Embrasure
Driehoekige ruimte begrensd door de kronen van twee aanliggende gebitselementen en het tandvlees.

Enchondrale verbening
Botvorming waarbij kraakbeen (chondros) door bot vervangen wordt.

Endocraniaal
Binnen de schedel.

Endoderm
Het binnenste kiemblad van een embryo. Uit het endoderm ontstaan het spijsverteringsstelsel en de inwendige organen.

Endo-occlusie
Binnenbeet.

Endodontische behandeling, endo
Wortelkanaalbehandeling.

Endodontoloog, tandarts-endodontoloog
Tandarts met een speciale opleiding (differentiatie) die op het uitvoeren complexe wortelkanaalbehandelingen gericht is.

End-to-end
Recht op elkaar.

En face
Van voren. Wordt ook de face genoemd.

Enucleatie
Chirurgische verwijdering van een tandkiem. Wordt ook germectomie genoemd.

Enuresis nocturna
Bedplassen.

EOS
European Orthodontic Society (EOS), de Europese wetenschappelijke beroepsvereniging van orthodontisten.

Epitheel
Weefsel dat het lichaamsoppervlak bedekt.

Epulis
Uitgroei van tandvlees.

Erasmus postgraduate program in orthodontics
Europees postacademisch opleidingsprogramma voor orthodontisten dat op initiatief van de Nijmeegse hoogleraar Frans F.P.G.M van der Linden van 1990 tot 1992 is uitgevoerd. 

Ergonomie
De studie van verbetering van de werkomstandigheden, zoals de lichaamshouding van zorgverleners en hun medewerkers.

Erosie
Verlies van tandmateriaal door afslijting (attritie) of oplossing door zure vloeistoffen.

Eruptie
Het natuurlijke gebitsontwikkelingsproces waarbij tanden en kiezen vanuit de kaak in de mond groeien.

Essix retainer
Een dunne, doorzichtige plastic hoes die precies over het onder- of bovenfront past en die het eindresultaat van een orthodontische behandeling zo goed mogelijk vasthoudt. Het retentie-apparaat is door de Amerikaanse orthodontist J.J. Sheridan geïntroduceerd.

Esthetiek
Schoonheid.

Etsbrug
Een kunsttand die met behulp van de etstechniek aan de naastliggende gebitselementen is bevestigd.

Etsen
Het glazuuroppervlak met behulp van een zure substantie (etsgel of etsvloeistof) opruwen, zodat de lijm waarmee een slotje op een gebitselement wordt geplakt hecht.

Etsgel
Zure gel voor het opruwen van het glazuuroppervlak van een gebitselement, zodat de lijm waarmee een slotje op een gebitselement wordt geplakt hecht.

Etsvloeistof
Zure vloeistof voor het opruwen van het glazuuroppervlak van een gebitselement, zodat de lijm waarmee een slotje op een gebitselement wordt geplakt hecht.

Eugnathie
Goede kaakstand.

European Journal of Orthodontics (Eur J Orthod of EJO)
Internationaal wetenschappelijk orthodontisch tijdschrift, dat door de European Orthodontic Society wordt uitgegeven.

EVAA
Kleine activator die tegelijkertijd tijdens behandeling met een vastzittende beugel kan worden gebruikt. De beugel is door de Heerenveense orthodontist Bernard Akkerman ontworpen.

Eversie
Naar voren gekipte stand van voortanden. Wordt ook wel labioversie, labio-inclinatie of proclinatie genoemd.

Evidence-based medicine
Medische diagnostiek en behandelingen waarvan het nut op basis van wetenschappelijk onderzoek onomstotelijk is aangetoond.

Exo-occlusie
Kleine of grote bovenkies bijt te ver naar buiten ten opzichte van kiezen in de tegenoverliggende gebitsboog. Wordt ook buitenbeet genoemd.

Expansie
Het verbreden van kaak en gebit.

Expansieschroef
Schroef in een beugel die kan worden uitgedraaid voor het verbreden van kaak en gebit.

Expansiesleutel
Metalen staafje met handvatgedeelte waarmee de schroef in een beugel kan worden verdraaid.

Extractie
Het trekken van een tand of kies.

Extractie diasteem
Ruimte die overblijft tussen gebitselementen na het trekken van een gebitselement.

Extraorale tractie
Buitenbeugel.

Extrusie
Orthodontische tandverplaatsing waarbij een gebitselement uit de tandkas wordt geduwd.

Eyelet
Klein oogje dat op een tand of kies wordt bevestigd om er een ligatuur aan vast te kunnen maken.

Facebow
Metalen draden waar een buitenbeugel aan kan worden vastgemaakt. Het gedeelte in de mond wordt de binnenboog genoemd. Het deel buiten de mond is de buitenboog.

Facebowregistratie
Het vastleggen van de relatie van de boventandboog ten opzichte van de intercondylaire as of de scharnieras van de onderkaak en het Frankfurter Horizontale oriëntatievlak.

Face mask
Buitenbeugel die op het gezicht afsteunt. Wordt ook wel Delaire genoemd, naar de uitvinder van de beugel, de Franse kaakchirurg professor Jean Delaire. Een andere benaming voor de beugel is 'omgekeerde headgear' of 'Klasse III-masker'.

Facies
Gezicht.

Facing
Tandkleurig schildje van composiet of porselein dat door de tandarts op een tand kan worden geplakt om afwijkingen in de vorm van het gebitselement te camoufleren.

Farynx
Keelholte.

Fauchard
Pierre Fauchard was een Franse tandarts (1678-1761), die wordt beschouwd als de grondlegger van de huidige tandheelkunde. Beschreef in zijn standaardwerk Le chirurgien dentiste (1746) een beugel om het bovengebit te verbreden ('bandelette').

FDI
Fédération Dentaire Internationale. Internationale vereniging van tandartsen die in 1900 in Parijs door de Franse tandarts Charles Godon is opgericht.

Fenestratie
Deel van de tandkas waarbij het bot plaatselijk ontbreekt en de wortel van een gebitselement niet door bot wordt bedekt. Wordt ook wel botfenestratie genoemd.

Fiberotomie
Chirurgische procedure waarbij na afloop van een beugelbehandeling de bindweefselvezels in het tandvlees rondom de wortel van een gebitselement worden doorgesneden. De behandeling is er op gericht het gebitselement zo goed mogelijk in de gecorrigeerde positie vast te houden en recidief tegen te gaan.

Fibroblast
Cel die bindweefselvezels maakt.

Fibroma, fibroom
Goedaardig bindweefselgezwel.

Figure eight ligature
Dun metalen draadje die bij het plaatsen van een orthodontische boog in een edgewise of straightwire bracket in de vorm van een 8 wordt gebogen.

Finishing
Eindfase bij behandeling met een vastzittende beugel.

First order bend
Een in het horizontale vlak gebogen knik in een boog bij een vastzittende beugel.

Fissura pterygomaxillaris
Ruimte tussen de processus pterygoideus van het wiggebeen (os sphenoidale) en de achterzijde van de bovenkaak. Deze heeft op laterale schedelröntgenfoto's de vorm van een omgekeerde druppel. Het is een veelgebruikte structuur in de cefalometrie.

Fissuur
Groef in het kauwvlak van een kies.

Fistel
Abnormale verbinding tussen een holte en de buitenwereld.

Fixatiemal
Op maat gemaakte mal om een spalk bij het plaatsen vast te houden.

Flap-operatie
Ingreep waarbij tandvlees om de wortel(s) van een gebitselement wordt losgemaakt en opzijgeschoven om ontstoken weefsel weg te kunnen halen en tandplaque en tandsteen te kunnen verwijderen.

Floss
Tandzijde om de ruimte tussen gebitselementen te reinigen. Wordt ook wel dental floss genoemd.

Flossnaald
Plastic naald om (tand)floss onder een spalk (of brug) te leiden. Wordt ook wel brugnaald genoemd.

Fluoride
Chemische verbinding met fluor. In de tandheelkunde worden fluoriden zoals natriumfluoride, natriumfluorofosfaat (SMFP), tinfluoride (SnF2) en aminfluoride gebruikt om het glazuur van tanden te versterken, het ontstaan van beginnend tandbederf tegen te gaan en de glazuur oplossende zuurvorming van bacteriën te remmen.

Fluoride applicatie
Het aanbrengen van fluoride op het glazuur van gebitselementen. Dit kan onder andere met behulp van een gebitslepel gevuld met fluoridegel. Fluoride kan ook door middel van een fluoridevloeistof (met een wattenstaafje) of een fluoridelak (met een borsteltje) worden aangebracht.

Follikel
Het losmazige bindweefsel dat de tandkiem omgeeft.

Fopspeen
Een kunststof zuigspeen zonder fles die bedoeld is om de zuigbehoefte van baby's te bevredigen zonder ze voedsel of drinken te geven. Indien het gebruik van een fopspeen tot op oudere leeftijd wordt voortgezet kan dat er toe leiden dat de voortanden te ver naar voren en de ondertanden te ver naar achter kunnen gaan staan (overbeet). Daarnaast kunnen de voortanden in verticale zin ook verder van elkaar af komen te staan (open beet).

Foramen incisivum 
Opening in het midden van het bot aan de voorzijde van het gehemelte. Het is de opening voor de nervus incisivus.

Foramen magnum 
Achterhoofdsgat. Opening in de schedel waardoor het ruggenmerg de schedel verlaat en in het ruggenmergkanaal in de wervelkolom loopt.

Foramen mandibulae 
Opening in de binnenzijde van de linker en rechter opstijgende tak van de onderkaak. Het foramen mandibulae is de ingang van de canalis mandibulae en de opening voor de nervus alveolaris inferioris en arteria alveolaris inferioris.

Foramen mentale 
Opening in de buitenzijde van het linker en rechter horizontale gedeelte van de onderkaak onder de tweede premolaar. Het foramen mentale is het uiteinde van de canalis mandibulae en de opening voor de nervus mentalis en arteria mentalis.

Fordyce spots
Onschuldige ectopische talgkliertjes die zich manifesteren als kleine geelachtige vlekjes op onder meer het slijmvlies van de lippen en wangen. Vernoemd naar de Amerikaanse dermatoloog J.A. Fordyse (1858-1925), die deze vlekjes in 1896 voor het eerst beschreef.

Fossa hypophysealis
Kom voor de hypophyse. De structuur maakt deel uit van de sella turcica. De voorzijde van de fossa hypophysealis wordt gebruikt bij de totale superpositie (cranial base registration). Omstreeks de leeftijd van 1 jaar vindt er geen groei meer plaats.

Fossa mandibularis
Kom van het slaapbeen (os temporale) voor het kaakkopje.

Fotografie
In de orthodontische praktijk worden digitale mond- en gezichtsfoto’s gebruikt bij de diagnostiek, het opstellen van het behandelplan en het vastleggen van het behandelresultaat.

Fractuur
Breuk.

Fränkel
Rolf Fränkel was een hoogleraar orthodontie in het voormalige Oost-Duitsland die een bepaald type activator heeft bedacht. Officieel heet deze beugel Funktionsregler (FR), maar meestal worden hij naar de bedenker professor dr. Fränkel genoemd. Er zijn 4 hoofduitvoeringen van deze beugel, de Fränkel I, II, III en IV.

Frankfurter Horizontale (FH)
Oriëntatievlak tussen de bovenkant van de uitwendige gehoorgang (porion) tot de onderrand van de oogkas (orbitale). Dit vlak wordt gebruikt bij het maken en beoordelen van foto's en röntgenfoto's van het gezicht. Het vlak is in 1882 op een antropologencongres in Frankfurt internationaal overeengekomen.

Frees, frais
Een hulpstuk dat in een hand- of hoekstuk kan worden geplaatst om plastic van beugels weg te slijpen. 

Free-way space
De verticale afstand tussen de onder- en bovengebitselementen bij ontspannen kauwspieren. 

Frenulectomie
Verwijdering van een (te groot) lipbandje.

Frenulum
Lipbandje.

Frenulum labialis inferioris
Onderlipbandje.

Frenulum labialis superioris
Bovenlipbandje.

Frenulum linguae
Tongriempje.

Frictie
Wrijving tussen boog en bracket bij vastzittende apparatuur.

Friction grip
Het vasthouden van boren of frezen in een hand- of hoekstuk.

Front
Het gedeelte van het gebit waar zich de snijtanden en hoektanden (resp. incisieven en cuspidaten) bevinden.

Frontgeleiding
Situatie waarbij uitsluitend de onder- en bovenincisieven en/of de onder- en bovenhoektanden bij het naar voren schuiven van de onderkaak met elkaar in contact blijven.

Functionele apparatuur
Een beugel die de onderkaak naar voren houdt, zoals bijvoorbeeld een activator.

Functionele krachten
Krachten die ontstaan tijdens het dragen van functionele beugels.

Functionele matrix theorie
Een door de Amerikaanse tandarts en anatoom Melvin L. Moss (1923-2006) ontwikkelde theorie die suggereert dat de groei van het craniofaciale skelet primair door de functie van weke delen wordt beïnvloed.

Funktionsregler (FR)
Bepaald type activator ontworpen door de orthodontist professor dr. Rolf Fränkel uit het voormalige Oost-Duitsland. Officieel heet de beugel Funktionsregler (FR), maar meestal worden hij genoemd naar de bedenker van de beugel: Fränkel. Er zijn 3 hoofduitvoeringen van deze beugel, de Fränkel I, II, III en IV.

Furcatie
Splitsing van wortel van gebitselement.

Fysiologisch
Door de natuur bepaald.

Fysiotherapeut
Een fysiotherapeut is een paramedische zorgverlener die patiënten met verschillende lichamelijke klachten oefeningen laat doen die onder de noemer fysiotherapie vallen. Deze discipline houdt zich bezig met de behandeling van klachten aan het steun- en bewegingsapparaat.

Gebalanceerde geleiding
Situatie waarbij tussen onder- en boventanden en kiezen zowel aan de zijde waarnaar de onderkaak wordt geschoven als de andere kant contacten aanwezig zijn.

Gebitsbeschermer
Kunststof beugel die om het bovengebit aansluit om de tanden bij contactsporten te beschermen. Wordt ook mouth guard genoemd.

Gebitsboog
Tandboog.

Gebitselement
Tand of kies. Er zijn snijtanden, hoektanden, premolaren en molaren. De afzonderlijke gebitselementen worden genummerd volgens het door de FDI aangenomen two-digit system.

Gebitsleeftijd
De leeftijd die wordt bepaald door het aantal doorgebroken tanden en kiezen en de mate van verkalking van nog de niet doorgebroken gebitselementen.

Gebitsmodel
Driedimensionale kopie van het gebit in gips. Een andere benaming is gipsmodel. Er zijn ook gebitsmodellen die na scannen van gebit, afdruk of model in gips in de computer worden opgeslagen en op een beeldscherm bekeken of in kunststof geprint kunnen worden (driedimensionaal printmodel). Gebitsmodel wordt ook model genoemd.

Gebitsregulatie
Het verbeteren van de stand van het gebit met beugels.

Gecombineerde orthodontisch-chirurgische behandeling
Behandeling waarbij de stand van het gebit met een beugel wordt veranderd en (een deel of delen van) de kaak of kaken chirurgisch wordt verplaatst. Wordt ook orthodontisch-chirurgische behandeling genoemd.

Gedeeltelijke vastzittende apparatuur
Beugel die met brackets (slotjes) op de gebitselementen van de onderkaak of de bovenkaak vastzit. De beugel wordt ook wel partiële vastzittende apparatuur genoemd.

Gehemelte
Palatum.

Gehemelteplaat
Een plastic plaatje dat bij baby's met schisis wordt gebruikt om de spleet af te sluiten. Het plaatje is bedoeld om het drinken te vergemakkelijken. Een ander doel van het plaatje is om de tong uit de spleet weg te houden en de spleet door de groei van bovenkaak, gehemelte en kaakwal kleiner te laten worden. Het plaatje wordt hiervoor regelmatig beslepen of vervangen. Gehemelteplaat wordt ook wel schisisplaat genoemd.

Geheugenmetaal
Metaal van nikkel-titanium met zeer elastische materiaaleigenschappen die ervoor zorgen dat het na vervorming zijn oorspronkelijk vorm weer aanneemt. Wordt ook wel superelastisch metaal genoemd.

Geminatie
Afwijkende vorm van gebitselement, waarbij er sprake is van een samengegroeide verdubbeling van een gebitselement.

Germectomie
Chirurgische verwijdering van een tandkiem. Wordt ook enucleatie genoemd.

Gezicht
Facies.

GG-jumper
Uitneembare beugel ontworpen door de Hengelose orthodontist Gerrit Gelink. De beugel is een modificatie van de activator.

Gingiva
Tandvlees.

Gingivaal
Aan de tandvleeszijde.

Gingiva Index
Score van de ernst van gingivitis bij tanden en kiezen.

Gingivarecessie
Teruggetrokken tandvlees. Wordt ook wel recessie genoemd.

Gingivatransplantatie
Ingreep waarbij een deel van de gingiva verplaatst wordt.

Gingivectomie
Ingreep waarbij een deel van het tandvlees verwijderd wordt.

Gingivitis
Ontstoken tandvlees.

Gips
In de orthodontie wordt gips gebruikt om van de afgietsels van afdrukken van het gebit kopieën van het gebit (gebitsmodellen) te maken. Hiervoor wordt calciumsulfaat-poeder met water gemengd en in de afdrukken gegoten. Na uitharding is er een gebitsmodel ontstaan. Bij de verharding zet gips een heel klein beetje uit (hygroscopisch expansie). Er bestaat ook gips met een hogere hardheid (hardgips).

Gipsmodel
Driedimensionale kopie van het gebit in gips. Een andere benaming is gebitsmodel of model.

Glandula
Klier.

Glandula parotidea
Speekselklier die voor het oor ligt.

Glandula sublingualis
Speekselklier die onder de tong ligt.

Glandula submandibularis
Speekselklier die zich in de mondbodem bevindt.

Glandulae buccales
Kleine speekselkliertjes aan de binnenkant van de wangen.

Glandulae labiales
Kleine speekselkliertjes aan de binnenkant van de lippen.

Glandulae palatinae
Kleine speekselkliertjes van het gehemelte.

Glasionomeercement
Veelgebruikt hechtmiddel voor het vastzetten van banden om kiezen. Het cement is een mengsel van aluminiumsilicaat-glaspoeder en polycarboxylzuren.

Glazuur
Harde buitenste laag van de kroon van een gebitselement.

Glazuur-cementgrens
Overgang van kroon en wortel van een gebitselement.

Glazuurparel
Glazuurvormsel op het worteloppervlak van een gebitselement.

Gnathion 
Cefalometrisch referentiepunt op de kin tussen het voorste (pogonion) en onderste punt van de kin (menton).

Gnathos
Kaak.

Gnathoschisis
Kaakspleet.

Gnatholoog, tandarts-gnatholoog
Tandarts met een speciale opleiding (differentiatie) die op de diagnose en behandeling van pijn en problemen met kauwen gericht is.

Gold chain
Dun metalen kettinkje met een attachment dat door de kaakchirurg aan een geïmpacteerd gebitselement kan worden bevestigd. Het in de mond uitstekende deel van het kettinkje kan aan een beugel worden vastgemaakt om het element orthodontisch uit de kaak te bewegen.

Gonion (Go) 
Cefalometrisch referentiepunt dat op de kaakhoek wordt geconstrueerd door de bissectrice te trekken van de hoek gevormd door de raaklijnen aan de achterzijde van de opstijgende tak en de onderrand van de onderkaak.

Goshgarian
Vastzittende metalen draad, ook wel transpalatal arch, TPA (transpalatal arch) of palatal bar genoemd. De draad loopt langs het gehemelte van de linker naar de rechter kies. Het hulpmiddel is vernoemd naar de uitvinder ervan, de Amerikaanse orthodontist Robert Goshgarian.

Groepsgeleiding
Situatie waarbij naast de hoektanden één of meer onder- en bovenpremolaren of molaren bij het zijwaarts schuiven van de onderkaak aan diezelfde (werkende of actieve) zijde met elkaar in contact blijven.

Gubernacular canal, gubernacular cord, gubernaculum kanaal
Bindweefselstrengetje tussen de wortelpunt van een melkgebitselement en de kiem van het blijvende gebitselement dat tijdens de wisseling op de plaats van het melkgebitselement gaat komen. Het is een overblijfsel dat na de embryonale ontwikkeling van het gebit uit de tandlijst achterblijft. Mogelijk bepaalt het strengetje (deels) de route die een blijvend gebitselement tijdens het vervangen van het melkelement in de kaak volgt.

Gummy smile
Situatie waarbij je als je lacht veel van het tandvlees laat zien.

Haas-apparaat
Vastzittende beugel met een schroef waarmee in korte tijd de bovenkaak en het bovengebit kan worden verbreed door het openen van de schedelnaad (sutuur) in de bovenkaak. Deze behandeling heet snelle sutuurexpansie, rapid maxillary expansion (RME) of rapid palatal expansion (RPE). De beugel is een sutuurexpansie-apparaat. Bij de beugel wordt een klein gedeelte van het gehemelte met kunsthars bedekt. Patiënten noemen de beugel vaak een spin.

Habit breaker
Beugel om slechte mondgewoonten tegen te gaan, zoals bijvoorbeeld een tonghek.

Habituele mondademhaling
De gewoonte om in rust door de mond adem te halen.

Habituele occlusie
De occlusie waarbij de gebitselementen maximaal contact met elkaar hebben. Andere benamingen zijn maximale occlusie (MO) en intercuspid position (ICP).

Half-open activator
Activator die aan de voorzijde grotendeels open is en waarbij alleen het onderfront met kunsthars is overkapt.

Halitose
Slechte adem.

Handpols(röntgen)foto
Röntgenfoto voor het bepalen van de resterende hoeveelheid (kaak)groei.

Handstuk
Tandheelkundige boormachine waarbij de boorschacht in de asrichting van het apparaat ligt.

Hansa-Platte
Modificatie van de activator van Andresen volgens de orthodontist dr. Asbjörn Hasund, hoogleraar te Hamburg. De beugel kan ook met een high-pull headgear worden gecombineerd.

Hardgips
Gips met een hogere hardheid.

Hardgipsmodel
Gebitsmodel van gips met een hogere hardheid. Bij een dergelijk model treden minder snel beschadigingen op. Een hardgipsmodel wordt ook stonemodel genoemd.

Hard wire cutter
Tang om dikke bogen van vastzittende beugels door te knippen.

Hawley retainer
Uitneembare beugel met een metalen draad langs de voorzijde van de tanden, die ervoor bedoeld is om het eindresultaat van een behandeling zo goed mogelijk te behouden. Het retentie-apparaat is in 1919 door de Amerikaanse orthodontist Charles A. Hawley (1861–1929) geïntroduceerd.

Headgear
Buitenbeugel.

Headgear-activator
Combinatie van een buitenbeugel met petje op het hoofd en een activator.

Headcap
Petje op het hoofd dat aan de facebow van een buitenbeugel kan worden vastgemaakt. Wordt ook hoofdkapje genoemd.

Headgear tube
Buisje van een beugel waarin het uiteinde de binnenboog van de facebow van een headgear geplaatst kan worden.

Hellman
De Amerkaanse orthodontist professor Milo Hellman (1873-1947) was de grondlegger van het wetenschappelijke onderzoek naar de groei en ontwikkeling van het gebit en aangezicht. In 1935 introduceerde hij schedelmetingen en een classificatie van de gebitsontwikkeling voor de orthodontie.

Hemifaciale microsomie
Eenzijdige onderontwikkeling van de onderkaak. Ook andere delen van het gezicht kunnen aan dezelfde kant onderontwikkeld zijn, zoals bijvoorbeeld de bovenkaak en het oor.

Hemisectie
Splijten van gebitselement.

Hemostat
Pincet waarmee elastiekjes voor het vastzetten van een boog om brackets geplaatst kunnen worden. Het instrument wordt ook wel mosquito of Mathieu genoemd.

Herbst scharnier
Vastzittende beugel die met telescopische staafjes de onderkaak naar voren houdt. De beugel is in 1904 door de Duitse orthodontist Emil Herbst (1872-1940) uitgevonden. De beugel is in de jaren 1970 door Hans Pancherz, hoogleraar aan de universiteit van Giessen, opnieuw geïntroduceerd.

Herregistratie
Verlenging van de inschrijving als orthodontist in het BIG-register door de Registratiecommissie Tandheelkundige Specialismen (RTS) van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Tandheelkunde (KNMT) voor een termijn van maximaal 5 jaar. Hiervoor is het vereist dat een orthodontist de voorgaande 5 jaar gemiddeld 2 dagen per week patiënten heeft behandeld, voldoende bij- en nascholing heeft gevolgd en aan het kwaliteitsprogramma van de Nederlandse Vereniging van Orthodontisten (NVvO) heeft deelgenomen.

Hersenschedel
Neurocranium. Het bestaat uit de volgende acht schedelbeenderen die de hersenen omvatten: os frontale, os ethmoidale, os sphenoidale, os occipitale, os temporale (2) en os parietale (2).

Hickam protractie apparaat
Buitenbeugel die op de kin en het achterhoofd afsteunt, vernoemd naar de Amerikaanse orthodontist John Hickam, de uitvinder van de beugel. De beugel wordt ook wel Hickam protractie headgear of Hickam genoemd.

Highpull headgear
Buitenbeugel met petje op het hoofd. Wordt ook wel pariëtale headgear genoemd.

Hilgers
James Hilgers, een Amerikaanse orthodontist die een veelgebruikte modificatie van de straightwire bracket van Andrews en een hieraan gerelateerde behandelingstechniek heeft geïntroduceerd. Tevens uitvinder van de pendulum, een beugel waarmee de blijvende grote bovenkiezen zonder buitenbeugel naar achteren kunnen worden verplaatst.

HOB (Horizontale overbeet)
Voor-achterwaartse afstand tussen onder- en bovensnijtanden bij dichtbijten. Wordt ook wel sagittale overbeet (SOB), overbeet of overjet genoemd.

Hoekstuk
Tandheelkundige boormachine waarbij de boorschacht een hoek met de asrichting van het apparaat maakt.

Hoektandgeleiding, cuspidaatgeleiding
Situatie waarbij uitsluitend de onder- en bovenhoektanden aan de kant waarnaar de onderkaak zijwaarts wordt geschoven met elkaar in contact blijven. Andere termen hiervoor zijn cuspid guidance of canine protection.

Hofrath
Een Duitse kaakchirurg die in 1931 een methode om met behulp van een cefalostaat gestandaardiseerde schedelröntgenfoto's te maken beschreef. In hetzelfde jaar introduceerde de Amerikaanse orthodontist Birdsall Holly Broadbent onafhankelijk van hem eenzelfde methode. Hofrath gebruikte de cefalostaat voor vooronderzoek bij operatieve correcties van de kaakstand. Broadbent paste de apparatuur toe voor lange termijn studies van de schedel- en kaakgroei en gebitsontwikkeling en publiceerde onder meer samen met zijn zoon orthodontist Birdsall Holly Broadbent jr. op basis daarvan de bekende 'Bolton Standards'.

Hoofdboog
Relatief dikke metalen draad (boog of orthodontische boog) die in de slotjes en buizen van een vastzittende onder- of bovenbeugel wordt geplaatst. Naast de hoofdboog is er ook een dunnere boog in de slotjes aanwezig, bijvoorbeeld een torque boog. Wordt ook wel main arch genoemd.

Hoofdhouding
Positie van het hoofd in een hoofdhouder (cefalostaat) of tijdens het kijken in een spiegel.

Hoofdkapje
Petje op het hoofd dat aan de facebow van een buitenbeugel kan worden vastgemaakt. Wordt ook headcap genoemd.

Hoofdsteunzak, hoofdzak
Disposable papieren zak om de hoofdsteun van de patiëntenstoel af te dekken.

Hook
Klein haakje waaraan bij vastzittende apparatuur elastiekjes aan kunnen worden vastgemaakt.

Hoofdsteunzak
Papieren wegwerpzak die over de hoofdsteun van de stoel van de patiënt kan worden geschoven.

Horizontaal groeipatroon
Groeirichting van de onderkaak naar boven en naar voren.

Horizontale overbeet (HOB)
Voor-achterwaartse afstand tussen onder- en bovensnijtanden bij dichtbijten. Wordt ook wel sagittale overbeet (SOB), overbeet of overjet genoemd.

How tang
Instrument om een boog bij een vastzittende beugel te plaatsen en te verwijderen.

Hyalinisatie
Op microscopisch niveau bekeken gebiedje met een gelei-achtige degeneratie van het wortelvlies (hyalinisatiezone), waardoor de wortel van een gebitselement tijdens een orthodontische tandverplaatsing aldaar tijdelijk niet verplaatst.

Hyalinisatieperiode
Periode tijdens de beginfase van een orthodontische tandverplaatsing, waarin een gebitselement niet of nauwelijks beweegt.

Hyoïd
Tongbeen. Wordt officieel os hyoideum genoemd.

Hypercementose
Verdikking van wortelcement.

Hypermobiliteit
Overmatige beweeglijkheid.

Hyperplasie
Weefsel vergroting.

Hyperodontie
Boventallige gebitselementen.

Hypertensie
Hoge bloeddruk.

Hypertrofie
Weefselvergroting.

Hypocalcificatie
Glazuur aanlegstoornis.

Hypoplasie
Onderontwikkeling.

Hypopneu
Gedeeltelijke ademstop.

Hypotensie
Lage bloeddruk.

Hypotonie
Slapte.

Hyrax
Type schroef van een vastzittende beugel waarmee in korte tijd de bovenkaak en het bovengebit kan worden verbreed door het openen van de schedelnaad (sutuur) in de bovenkaak. Deze behandeling heet snelle sutuurexpansie, rapid maxillary expansion (RME) of rapid palatal expansion (RPE). Andere benamingen voor de beugel zijn: Biedermann en sutuurexpansie-apparaat. Patiënten noemen de beugel vaak een spin. De beugel zelf wordt ook vaak naar het type schroef met de naam Hyrax aangeduid.

ICON
Index of Complexity, Outcome and Need (ICON), een door de Engelsen Charles Daniels en Stephen Richmond ontwikkeld meetinstrument voor het vaststellen van de orthodontische behandelingsbehoefte. De index rangschikt deze behoefte op basis van de ernst van de malocclusie en het effect ervan op de gezondheid en de esthetiek van het gebit en het gezicht. Tevens wordt hierbij ook rekening gehouden met de moeilijkheidsgraad en het eindresultaat van een behandeling. Daarnaast kan met de index ook de effectiviteit van de behandeling worden bepaald.

Idiopathisch
Door een onbekende oorzaak.

Impactie
Situatie waarbij een gebitselement in de kaak blijft zitten.

Implantaat
Een metalen kunstwortel die in de kaak wordt geplaatst. Deze kan vervolgens worden voorzien van een kroon, brug, plaat- of frameprothese of een overkappingprothese (klikgebit). Er bestaan ook kleine implantaten die worden gebruikt voor krachten om gebitselementen en kaken orthodontisch te verplaatsen (orthodontische, mini-, of micro-implantaten).

Implantoloog, tandarts-implantoloog
Tandarts met een speciale opleiding (differentiatie) die op het plaatsen van implantaten gericht is.

Inbinden
Vastzetten van boog in bracket bij vastzittende beugel.

Incisief
Snijtand.

Incisaal
Aan de snijrandzijde van een tand.

Inclinatie
Asrichting van een gebitselement loodrecht ten opzichte van de kaakwal.

Incompetente lippen
Lippen die in rust geopend zijn.

Indirect bonding
Plakken van slotjes waarbij deze eerst van tevoren in een zo goed mogelijke stand op de gebitselementen van een gebitsmodel zijn geplaatst, waarna er een doorzichtig plastic hoesje om de tandboog van het model met de brackets wordt gemaakt. De slotjes worden daarna met behulp van het hoesje bij de patiënt met lichtuithardende composiet op de gebitselementen bevestigd.

Individuele lepel
Een voor de patiënt op maat gemaakte afdruklepel.

Infantiel slikgedrag, infantiel slikken
Wijze van slikken waarbij de tong net als bij een baby of klein kind tussen de tanden wordt gehouden. Wordt ook wel tongpersen genoemd.

Infaust
Ongunstig.

Inferior
Onder.

Informed consent
Schriftelijke toestemming van patiënt of diens wettelijke vertegenwoordiger voor diagnostische procedures en behandelingen.

Infraorbitale
Onderrand van de oogkas.

Infrapositie
Positie van een gebitselement waarbij het te weinig uitgegroeid is.

Inslijpen
Beslijpen van de kauwvlakken en snijranden van gebitselementen. De term wordt ook gebruikt voor het wegslijpen van plastic van uitneembare beugels (meestal activatoren) om gebitselementen de gelegenheid te geven verder door te groeien.

Insocken
Het spontaan naar elkaar toe bewegen van onder- en bovenkiezen na een orthodontische behandeling, zodat het onder- en bovengebit bij dichtbijten beter in elkaar gaat passen.

Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ)
Overheidsinstantie die toezicht houdt op de gezondheidszorg.

Instrumententray
Serveerblad. Wordt ook wel tray genoemd.

Interceptieve behandeling
Behandeling om het ontstaan van een ongunstige gebitsontwikkeling te voorkomen.

Intercuspid position (ICP)
De occlusie waarbij de gebitselementen maximaal contact met elkaar hebben. Andere benamingen zijn habituele occlusie en maximale occlusie (MO).

Interdentaal
Tussen gebitselementen.

Interdentaal borsteltje
Klein borsteltje om het gebit en tandvlees achter de boog van een vastzittende beugel schoon te kunnen maken. Kan ook gebruikt worden om de ruimte tussen gebitselementen of onder een brug te reinigen. Interdentale borsteltjes worden ook wel ragertjes genoemd.

Interdentaal slikken
Gewoonte om tijdens het slikken de tong tussen de onder- en boventanden te houden.

Interdentale papil
Tandvlees tussen twee aanliggende tanden of kiezen. Wordt ook wel papil genoemd.

Interdigitatie
Het in elkaar passen van knobbels en groeven van de kleine en grote kiezen met die van de tegenoverliggende gebitsboog.

Interdisciplinaire tandheelkunde
Samenwerking tussen meerdere zorgverleners vanuit verschillende vakgebieden bij de diagnose en behandeling een patiënt. Deze vorm van samenwerking wordt ook wel multidisciplinaire tandheelkunde genoemd.

Interincisale hoek
De hoek tussen de assen van de centrale boven- en centrale onderincisieven op een laterale schedelröntgenfoto. 

Intermaxillair
Tussen onder- en bovenkaak of onder- en bovengebit.

Intermaxillaire verankering
Wijze van verankering waarbij de weerstand van gebitselementen of structuren in de ene kaak wordt gebruikt om orthodontische tandverplaatsingen in de andere kaak te bewerkstelligen.

Intermitterende kracht
Kracht die slechts gedurende bepaalde perioden aanwezig is.

Interproximale reductie (IPR)
Ruimte maken voor het in de rij zetten van het gebit. Hierbij worden gebitselementen door middel van slijpen of schuren iets smaller gemaakt. De procedure wordt ook wel strippen of slicen genoemd.

Interrupted kracht
Kracht waarbij de krachtgrootte na korte tijd afneemt.

Intertransitionele periode
Periode in de gebitsontwikkeling tussen de eerste en tweede wisselfase. Deze fase wordt ook wel de rustfase genoemd. De intertransitionele periode is bij kinderen meestal van 9 tot 10 jaar.

Intramaxillaire verankering
Wijze van verankering waarbij de weerstand van gebitselementen of structuren in de kaak wordt gebruikt om orthodontische tandverplaatsingen in diezelfde kaak te bewerkstelligen.

Intramembraneuze verbening
Botvorming waarbij bot vanuit bindweefsel in de vorm van een band (desmos) wordt afgezet. Wordt ook desmale verbening genoemd.

Intraoraal
In de mond.

Intraorale scanner
Apparaat waarmee driedimensionale gebitsafdrukken kunnen worden gemaakt.

Intra-orale röntgenfoto
Röntgenfoto van een of een paar gebitselementen. Wordt ook wel tandfilm of solo genoemd.

Intruderen, intrusie
Orthodontische tandverplaatsing waarbij een gebitselement in de tandkas wordt geduwd.

Inversie
Naar binnen gekipte stand van voortanden. Wordt ook wel linguoversie, palatoversie, retroversie, linguo-inclinatie, palato-inclinatie of retroclinatie genoemd.

Invisable retainer
Dun, doorzichtig plastic hoesje om het gebit na een orthodontische behandeling recht te houden. Het hoesje is uitneembaar en past op het boven- en/of ondergebit. Het is vrijwel niet te zien. Een invisable retainer wordt ook clear retainer genoemd.

IOTN
Index for Orthodontic Treatmen Need, een door de Engelse orthodontisten Stephen Richmond en William Shaw ontwikkeld meetinstrument voor het vaststellen van de orthodontische behandelingsbehoefte. De index rangschikt deze behoefte op basis van de ernst van de malocclusie en het effect ervan op de gezondheid en de esthetiek van het gebit en het gezicht.

IPR
Afkorting van interproximale reductie. Ruimte maken voor het in de rij zetten van het gebit. Hierbij worden gebitselementen door middel van slijpen of schuren iets smaller gemaakt. De procedure wordt ook wel strippen of slicen genoemd.

Isaacson-apparaat
Vastzittende beugel met een speciale veer (Minne expander) waarmee in korte tijd de bovenkaak en het bovengebit kan worden verbreed door het openen van de schedelnaad (sutuur) in de bovenkaak. Deze behandeling heet snelle sutuurexpansie, rapid maxillary expansion (RME) of rapid palatal expansion (RPE). De beugel is een sutuurexpansie-apparaat. Kunsthars maakt geen deel uit van de beugel. Patiënten noemen de beugel vaak een spin. De beugel wordt ook wel naar de veer Minne Expander genoemd.

Izard
Dr. Gabriel Izard (1880-1975) was een Franse orthodontist die in 1930 een omvangrijk tekstboek over orthodontie schreef.

Jasper Jumper
Een in 1987 door de Amerikaanse orthodontist James J. Jasper geïntroduceerde met kunststof omhulde drukveer die bij een vastzittende beugel aan de eerste bovenmolaar en de onderhoektand vastzit. De veer houdt de onderkaak in een voorwaartse stand.

Jeugdreuma
Een chronische auto-immuunziekte door onbekende oorzaak bij een kind voor het zestiende levensjaar die één of meer gewrichten aan kan tasten met pijnklachten en beschadigingen van de gewrichten tot gevolg. Indien het kaakgewricht is aangedaan kan dit leiden tot groeiremming van de onderkaak en een ernstige Klasse II-malocclusie. De ziekte wordt ook wel juveniele idiopathische artritis (JIA) genoemd.

J-hook
Haakje aan de voorzijde van een boog van een vastzittende beugel voor de bevestiging van een buitenbeugel.

Jiggling
Almaar heen en weer of op en neer bewegen van een gebitselement.

Journal of Clinical Orthodontics (J Clin Orthod of JCO)
Internationaal klinisch georiënteerd orthodontisch tijdschrift.

Journal of Orthodontics (J Orthod)
Internationaal wetenschappelijk orthodontisch tijdschrift, dat door de British Orthodontic Society (BOS) wordt uitgegeven.

Journal of Orofacial Orthopedics/Fortschritte der Kieferorthopädie (J Orofac Orthop)
Internationaal wetenschappelijk orthodontisch tijdschrift, dat door de Deutsche Gesellschaft für Kieferorthopädie e.V. (DGKFO) wordt uitgegeven.

Journal of the World Federation of Orthodontists (JWFO)
Internationaal wetenschappelijk orthodontisch tijdschrift, dat door de World Federation of Orthodontists (WFO) wordt uitgegeven.

Jumping the bite
Een door de Amerikaanse orthodontist Norman W. Kingsley in 1877 geïntroduceerd orthodontisch behandelconcept, waarbij met een uitneembare bovenbeugel met een schuin verlopend vlak achter het bovenfront het onderfront en de onderkaak naar voren worden gedwongen. Hiermee wordt de ontwikkeling van het ondergebit en de groei van de onderkaak naar voren gestimuleerd. Op dit principe is de werkingswijze van functionele apparatuur gebaseerd.

Juveniele idiopathische artritis (JIA)
Een chronische auto-immuunziekte door onbekende oorzaak bij een kind voor het zestiende levensjaar die één of meer gewrichten aan kan tasten met pijnklachten en beschadigingen van de gewrichten tot gevolg. Indien het kaakgewricht is aangedaan kan dit leiden tot groeiremming van de onderkaak en een ernstige Klasse II-malocclusie. De ziekte wordt ook wel jeugdreuma genoemd.

Kaak
Gnathos.

Kaakchirurg
Tandarts en arts die een specialistenopleiding in de mondziekten en kaak- en aangezichtschirurgie aan de universiteit of academisch ziekenhuis heeft afgerond en in het BIG-register als kaakchirurg staat ingeschreven. De officiële naam luidt: Mond- Kaak- en Aangezichtschirurg of MKA-chirurg. Het vakgebied wordt vaak mondheelkunde genoemd.

Kaakfysiotherapeut
Fysiotherapeut die een speciale opleiding op het gebied van orofaciale fysiotherapie heeft gevolgd. Deze is er op gericht om klachten met betrekking tot het kaakgewricht, kauwspieren en andere spieren en functiestoornissen in het hoofd-, halsgebied door middel van oefentherapie te verminderen. De zorgverlener wordt ook orofaciaal fysiotherapeut genoemd.

Kaakgewricht
Temporomandibulair gewricht (TMG).

Kaakhoek
Hoek tussen de onderrand en achterzijde van de onderkaak van opzij gezien.

Kaakkopje
Condylus.

Kaakorthopedie
Deelvakgebied van de orthodontie dat zich bezig houdt met het verbeteren van de stand van de kaken door middel van beugels.

Kaakrelatie
Onderlinge relatie tussen de onder- en bovenkaak. Wordt ook wel relatie genoemd.

Kaasmolaar
Kies met ernstige ontwikkelingsstoornis van het glazuur.

Kapfase
Stadium in de tandontwikkeling die ontstaat door groei van de tandknop. De tandkap bestaat uit een kap met een buitenlaag (buitenste tandepitheel), een binnenlaag (binnenste tandepitheel) en een centraal gedeelte met losmazig bindweefsel (stervormig reticulum of reticulum stellatum). Vanuit het mesenchym binnen de kap vormt zich de tandpapil. Door groei van de tandkap ontstaat er een tandklok.

Kastmodel
Zorgvuldig afgewerkte kopie van het gebit in gips, die wordt gebruikt voor orthodontische diagnostiek. Wordt ook studiemodel genoemd.

Kauwen
Proces in de mond waarbij voeding met behulp van kauwspieren door middel van de kiezen wordt fijngemalen. Bij dit proces worden speeksel met enzymen aan het voedsel toegevoegd.

Keelholte
Farynx.

Kegeltand
Laterale bovenincisief met een spits toelopende, kegelvormige kroonvorm. Wordt ook wel peg shaped lateral genoemd.

Kegel-trechter mechanisme
Het tijdens de gebitsontwikkeling tot stand komen van de occlusie, waarbij de onder- en bovenkiezen op geleide van de in elkaar passende knobbels en groeven (fissuren) van de kauwvlakken ten opzichte van elkaar verplaatsen. Het begrip 'kegel-trechter mechanisme' is door de Nijmeegse hoogleraar orthodontie F.P.G.M. van der Linden geïntroduceerd en wordt ook wel met de term 'rail-mechanisme' aangeduid.

Keramische slotjes
Witte slotjes gemaakt van een soort glas (keramiek).

KEW-dossier
Een dossier volgens de Kernenergie Wet (KEW) met documenten die betrekking hebben op de röntgenapparatuur, zoals een risicoanalyse van de stralingsbelasting, een verklaring van deskundigheid, controle en onderhoud van de apparatuur, instructies voor het personeel en beschermende maatregelen.

Key ridge
Punt waar de voorste en achterste randen van de processus zygomaticus van de maxilla aan de onderzijde bij elkaar komen. Het punt wordt in de cefalometrie veel gebruikt.

Keystoning
Het zodanig schuin beslijpen van de approximale vlakken van ondersnijtanden dat de kroonvorm van de naast elkaar liggende gebitselementen recidiefneiging zoveel mogelijk tegengaat.

Kindertandarts
Iemand die een speciale opleiding op het gebied van kindertandheelkunde heeft gevolgd. Vaak gaat het daarbij om angstige kinderen, jonge kinderen met veel gaatjes en kinderen met gedragsproblemen, lichamelijke of verstandelijke beperkingen of medische problematiek. Een kindertandarts wordt ook tandarts-pedodontoloog of pedodontoloog genoemd.

Kinetor
Modificatie van de activator van Andresen volgens het ontwerp van de Duitse orthodontist professor Hugo Stockfisch.

Kingsley
Norman Kingsley (1829-1913) was een Amerikaanse orthodontist die in 1877 de voorloper van de activator (blokbeugel) uitvond. Tevens was hij de auteur van een omvangrijk orthodontisch tekstboek.

Kinkap
Buitenbeugel die op de kin afsteunt.

Kinplastiek
Kaakchirurgische verplaatsing van de kin.

Klachtencommissie
Een door iedere zorgorganisatie in het kader van de Wet Klachtrecht Cliënten Zorgsector verplicht samen te stellen externe commissie die klachten van patiënten over zorgverleners behandelt.

Klachtenfunctionaris
Bemiddelaar bij een klacht van een patiënt in het kader van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (WKKGZ). Deze functionaris kan onafhankelijke deskundigen raadplegen.

Klammer
Metalen draad waarmee een uitneembare beugel aan het gebit wordt vastgehouden. Wordt ook wel anker genoemd.

Klasse II-elastiek
Elastiekje dat bij een vastzittende beugel tussen de voorzijde van de bovenbeugel en de achterzijde van de onderbeugel wordt geplaatst.

Klasse III-elastiek
Elastiekje dat bij een vastzittende beugel tussen de achtervoorzijde van de bovenbeugel en de achterzijde van de onderbeugel wordt geplaatst.

Klasse I-malocclusie
Gebitsafwijking waarbij het ondergebit en bovengebit in voor-achterwaarste zin goed ten opzichte van elkaar staan.

Klasse II/1-malocclusie
Gebitsafwijking waarbij het ondergebit ten opzichte van het bovengebit in voor-achterwaarste zin te ver naar achteren ligt.

Klasse II/2-malocclusie
Gebitsafwijking waarbij het ondergebit ten opzichte van het bovengebit in voor-achterwaarste zin te ver naar achteren ligt en waarbij de centrale bovenincisieven naar binnen gekipt staan. De gebitsafwijking wordt ook wel dekbeet genoemd.

Klasse II/2-malocclusie Type A
Klasse II/2-maloccusie met voldoende ruimte in het voorste deel van de boventandboog. Alle bovensnijtanden staan naar binnen gekipt.

Klasse II/2-malocclusie Type B
Klasse II/2-maloccusie met ruimtegebrek in het voorste deel van de boventandboog. De centrale bovenincisieven staan naar binnen gekipt. De laterale bovenincisieven staan naar buiten gekipt.

Klasse II/2-malocclusie Type C
Klasse II/2-maloccusie met ernstig ruimtegebrek in het voorste deel van de boventandboog. Alle bovensnijtanden staan naar binnen gekipt, terwijl de bovenhoektanden te ver naar buiten en naar voren staan.

Klasse III-malocclusie
Gebitsafwijking waarbij het ondergebit ten opzichte van het bovengebit in voor-achterwaarste zin te ver naar voren ligt.

Klasse I-occlusie
Onder- en bovengebitselementen staan in voor-achterwaarste zin goed ten opzichte van elkaar. Wordt ook neutro-occlusie genoemd.

Klasse II-occlusie
Het ondergebit staat ten opzichte van het bovengebit in voor-achterwaarste zin te ver naar achteren. Wordt ook disto-occlusie genoemd.

Klasse III-occlusie
Het ondergebit staat ten opzichte van het bovengebit in voor-achterwaarste zin te ver naar voren. Wordt ook mesio-occlusie genoemd.

Kleurtablet
Tablet om plaque in de mond mee zichtbaar te maken. Wordt ook wel met een vloeistof gedaan.

Klinische kroon
Het in de mondholte zichtbare gedeelte van de kroon van een gebitselement.

Klinisch onderzoek
Onderzoek van de patiënt in de behandelstoel zonder röntgenolische of andere extra onderzoekhulpmiddelen.

Klinische visitatie
Onderdeel van het verplichte kwaliteitsprogramma van orthodontisten, waarbij de praktijk van een orthodontist een keer in de 5 jaar door een groep collega's wordt bezocht. Tijdens een visitatie wordt de kwaliteit van behandelingsprocedures beoordeeld. Gekeken wordt naar de mate van tevredenheid van patiënten, de kwaliteit van behandelingen, het oordeel van verwijzende tandartsen en kaakchirurgen. Tevens worden lopende behandelingen van patiënten ter plekke geëvalueerd. Klinische visitatie wordt ook vaak visitatie genoemd.

Klinisch orthodontisch onderzoek
Onderzoek zonder analyse van gebitsmodellen, röntgenfoto's en foto's.

Kloehn headgear
Buitenbeugel met een band in de nek. Vernoemd naar de Amerikaanse orthodontist Silas J. Kloehn (1902-1985) die de beugel in 1947 geïntroduceerd heeft. Wordt ook wel cervicale headgear genoemd.

Klokfase
Stadium in de tandontwikkeling die ontstaat door groei van de tandkap tot de vorm van een klok.

KNMT
Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Tandheelkunde, de grootste landelijke beroepsvereniging van tandartsen en tandartsspecialisten.

Knobbel
Verhevenheid op het kauwvlak van een kies.

Knopanker
Metalen draadje met een bolvormig uiteinde waarmee een uitneembare beugel aan het gebit wordt vastgehouden.

Knopfase
Stadium in de tandontwikkeling die bestaat uit een knopvormige uitstulpsel uit de tandlijst. Door groei van de tandknop ontstaat er een tandkap.

Kobayashi hook
Haakje om een bracket, gebogen van een dun getwijnd metalen draadje bij een vastzittende beugel.

Koper ligatuur
Metaaldraad die getwijnd wordt om gebitselementen van elkaar te scheiden (separeren). De draad wordt in getwijnde vorm ook wel gebruikt om slotjes op gebitselementen die in de kaak liggen met een beugel te verbinden.

Koppel
Twee gelijk grote krachten die in een tegengestelde richting parallel aan elkaar op een gebitselement werken.

Korkhaus-bestek
Een setje met instrumenten voor het opmeten van gebitsmodellen bestaande uit een plastic symmetrieplaatje, een passer en een draaischijfje voor het bepalen van afmetingen van de tandbogen. Het setje is ontwikkeld door de Duitse orthodontist professor dr. dr. Gustav Korkhaus.

Krimpkous
Dun plastic laagje dat om een lipbumper kan worden geschoven en hier na verwarming strak omheen vastzit.

Kroon
Het gedeelte van een gebitselement dat zich buiten het tandvlees bevindt. Ook wel de naam voor een tandheelkundige voorziening die na het beslijpen van de kroon van een gebitselement hierop wordt geplaatst.

KROSS-retainer
Retentiespalk die van hoektand tot hoektand achter de voortanden wordt geplakt. De spalk wordt van tevoren op een gebitsmodel gemaakt. Bij het plaatsen van de spalk wordt gebruik gemaakt van een plastic plaat die op hetzelfde model is gemaakt en die de spalk in een zo goed mogelijke positie tegen de tanden houdt. De spalk is distaal van de hoektanden in de plaat bevestigd. Tijdens het vastzetten van de spalk bij de patiënt is er volledig zicht op de spalk ter plaatse van alle voortanden. Na vastzetten van de spalk op de snijtanden met composiet wordt de spalk halverwege de hoektanden doorgeknipt en wordt de plaat verwijderd. Hierna worden de hoektanden met composiet aan de spalk vastgezet. De KROSS-retainer is ontwikkeld door de Amsterdamse orthodontist Rolf Koning.

Kruisbeet
Situatie waarbij kiezen van het bovengebit ten opzichte van kiezen van het ondergebit bij dichtbijten te ver naar binnen staan.

Kruisbeetelastiek
Elastiekje om de stand van kiezen van het ondergebit ten opzichte van het bovengebit bij een kruisbeet te verbeteren.

Krulstaartveer
Metalen draad in uitneembare beugel om gebitselementen in de tandboog te verplaatsen. Wordt ook posthoorn- of varkensstaartveer genoemd.

Kunstfout
Fout van een arts, tandarts of paramedicus bij de diagnostiek of behandeling.

Kunsthars
Het plastic van een uitneembare beugel. 

Kunsthars element
Kunststof gebitselement dat aan een beugel kan worden bevestigd om een afwezig gebitselement te vervangen. Wordt ook wel prothese element genoemd.

Kunstharsmodel
Gebitsmodel van plastic. Meestal wordt het met behulp van driedimensionale scans van het gebit of gebitsmodel vervaardigd. Bij een kunstharsmodel treden in vergelijking met gebitsmodellen van gips minder snel beschadigingen op.

Kwaliteitsprogramma
Programma om de kwaliteit van de zorgverlening te waarborgen en waar orthodontisten verplicht aan mee moeten doen om als orthodontist in het BIG-register ingeschreven te kunnen blijven. Het programma omvat (klinische) visitatie, bij- en nascholing en certificering.

Labiaal
Aan de lipzijde.

Labiale boog
Metalen draad van een uitneembare beugel die voor de tanden langs loopt. Een doorlopende labiale boog loopt helemaal van de linker- naar de rechterzijde van het gebit. Een gedeelde labiale boog loopt alleen vanaf een kant van het gebit langs de voortanden.

Labio-inclinatie, labioversie
Naar voren gekipte stand van voortanden. Wordt ook eversie, labioversie of proclinatie genoemd.

Labiopositie
Voortanden staan naar voren. Wordt ook propositie genoemd.

Labium
Lip.

Lachlijn
Verticale positie van de boventanden ten opzichte van de onderzijde van de bovenlip.

Lamina cribrosa
Mediaan gelegen, horizontale verlopend deel van het os ethmoidale dat deel van de voorste schedelbasis uitmaakt. Het bevat veel kleine gaatjes waarin reukzenuwvezeltjes (nervi olfactorii) lopen. Het endocraniale oppervlak van de lamina cribrosa wordt gebruikt bij de totale superpositie (cranial base registration). Omstreeks de leeftijd van 1 jaar vindt er geen groei meer plaats.

Lamina dentalis
Tandlijst. Een band van epitheelweefsel waaruit kiemen onstaan die de aanleg vormen van het ectodermale gedeelte van tanden (tandglazuur). Eerste aanleg van de gebitselementen in de zesde week na de conceptie. 

Lamina dura
Compacte botlaag van de tandkas die tegen het wortelvliesl van een gebitselement aanligt.

Landkaarttong
Onschuldige, niet-besmettelijke aandoening, die wordt gekenmerkt door scherp begrensde witte en rode plekken op de tong. De vlekken kunnen in de loop van de tijd voortdurend van aspect en grootte veranderen en soms branderig of pijnlijk aanvoelen. Het is een onschuldige, niet-besmettelijke aandoening, die officieel lingua geographica of benigne migrerende glossitis wordt genoemd.

Larynx
Strottenhoofd.

Laserlassen
Een lastechniek waarbij metalen delen van een beugel met elkaar worden verbonden door ze met elkaar te versmelten door verhitting met een coherente bundel licht.

Lassen
Procedure waarmee door verhitting buizen en andere attachments op banden worden vastgezet.

Lateraal
Naar opzij of aan een zijde.

Laterale dwangbeet
Dwangbeet waarbij de onderkaak zijwaarts afglijdt.

Laterale incisief
Zijsnijtand.

Laterale schedelröntgenfoto (LS)
Röntgenfoto van het profiel van het gezicht, ook wel röntgenschedelprofielfoto (RSP) genoemd.

Laterognathie
Afwijkende positie van de kaak naar links of naar rechts.

Latex
Veelgebruikt natuurlijk rubber materiaal van elastiekjes bij vastzittende beugels. Ook de handschoenen van de behandelaar en medewerkers zijn vaak van latex gemaakt. 

LED (uithardings)lamp
Lamp met licht-emitterende (LED) diodes voor het snel uitharden van composiet. Wordt ook wel uithardingslamp genoemd.

Leeway space
Verschil in voor-achterwaarste kroonafmetingen van de melkhoektanden en melkmolaren en die van de blijvende opvolgers.

Lege artis
Naar de regels van de kunst.

Lehman activator
Activator bedacht door de Nederlandse orthodontist dr. Ruud Lehman. De beugel kan ook met een high-pull headgear worden gecombineerd.

Le Fort osteotomie
Chirurgische operatie waarbij (een deel van) de bovenkaak wordt verplaatst.

Levelling
Tandverplaatsingen die er op gericht zijn om de snijranden en knobbels van alle tanden en kiezen van een gebitsboog in één verticaal vlak te laten komen liggen.

Licht uithardend composiet
Hechtmiddel voor het plakken van een bracket, buis, attachment of spalk dat uit onder de invloed van licht uithardt.

Licht uithardende lamp, lichtapparaat
Lamp om het hechtmiddel bij het plakken van een bracket, buis, attachment of spalk uit te harden.

Ligature tang
Tang waarmee dunne metalen draden (ligaturen) kunnen worden getwijnd. Wordt ook wel naaldvoerder genoemd.

Ligature cutter
Tang voor het doorknippen van dunne metalen draadjes (ligaturen).

Ligature tucker
Penvormig instrument met uiteinden waarmee dunne metalen draadjes (ligaturen) kunnen worden weggebogen.

Ligatuur
Dun metalen draadje.

Ligeren
Voorzien van een dun metalen draadje (ligatuur).

Lightwire
Vastzittende beugel waarbij kleine krachten gebruikt. De techniek maakt gebruik van Australisch draad en is gebaseerd op de beugel die in 1956 door de Australische orthodontist Begg geïntroduceerd is.

Lijm
Kleefmateriaal om brackets, buizen en attachments (slotjes) op tanden en kiezen te plakken. De officiële termen zijn: adhesief of bonding en composiet.

Lingua
Tong.

Linguaal
Aan de tongzijde.

Lingua geografica
Landkaarttong. Onschuldige, niet-besmettelijke aandoening, die wordt gekenmerkt door scherp begrensde witte en rode plekken op de tong. De vlekken kunnen in de loop van de tijd voortdurend van aspect en grootte veranderen en soms branderig of pijnlijk aanvoelen. De aandoening wordt ook benigne migrerende glossitis genoemd.

Lingua villosa
Haartong. Verkleurde tong als gevolg van te lange of brede tongpapillen. De verkleuring kan van witgeel tot bruinzwart variëren en het kan lijken of er een laagje haar op de tong zit. Het is een pijnloze, onschuldige, niet-besmettelijke aandoening.

Linguale apparatuur
Vastzittende beugel aan de binnenzijde van het gebit.

Linguale boog
Vastzittende beugel waarbij aan de binnenzijde van het ondergebit een metalen draad loopt.

Linguo-inclinatie, linguoversie
Naar binnen gekipte stand van voortanden. Wordt ook wel inversie, palatoversie, retroversie, palato-inclinatie of retroclinatie genoemd.

Linguopositie
Gebitselementen staan naar achteren. Wordt ook wel retropositie of palatopositie genoemd. 

Lipbumper
Metalen draad die tussen de onderlip en het ondergebit loopt. Soms is de draad bedekt met een kunststof schild (pelotte) of dun plastic laagje (krimpkous).

Lipinterpositie
Onderlip bevindt zich in rust tussen de onder- boventanden. Wordt ook wel onderlipinterpositie genoemd.

Liplijn
Verticale positie van de onderrand van de bovenlip ten opzichte van de boventanden.

Locale anesthesie
Plaatselijke verdoving.

Locale superpositie
Het over elkaar heen leggen van overtrektekeningen (tracings) van röntgenfoto's die op verschillende tijdstippen van dezelfde persoon zijn gemaakt. Hiermee kunnen de verschillen tussen de foto's worden bestudeerd en kunnen onder meer veranderingen in de stand van het gebit, kaken en gezicht tijdens groei en behandeling zichtbaar worden gemaakt. Meestal worden gaat het hierbij om veranderingen op laterale schedelröntgenfoto's. In tegenstelling tot bij een totale superpositie worden bij een locale superpositie de veranderingen van een gedeelte van het gezicht onderzocht, bijvoorbeeld die van gebit, bovenkaak of onderkaak.

Locale superpositie van de dentitie
Superpositie op de lijn tussen de cefalometrische punten Nasion en A met Nasion als registratiepunt. De superpositie geeft een indruk van de veranderingen van gebit, kaken en profiel in het dentale deel van het gezicht tijdens groei en behandeling.

Locale superpositie van de mandibula
Superpositie op de canalis mandibularis, de cortex van de symphysis mandibularis tussen referentiepunten B en Pg en de bodem van de crypte van een nog niet actief erupterende onderverstandskies. De superpositie geeft een indruk van de veranderingen van het ondergebit en de onderlip tijdens groei en behandeling.

Locale superpositie van de maxilla
Superpositie op het spinavlak en het meest horizontale deel van de contour van het gehemelte. De superpositie geeft een indruk van de veranderingen van het bovengebit en de bovenlip tijdens groei en behandeling.

Lock pin
Kleine pin die de boog bij een Begg beugel in het slotje vasthoudt.

Logopedist
Een logopedist is een paramedische zorgverlener die zich bezighoudt met behandelingen van communicatiestoornissen met betrekking tot taal, spraak, de stem, gehoor en/of slikken.

Long handle
Lang handvat.

Loop
Een lus in de boog van een vastzittende beugel.

Luchtgat
Opening in de voorzijde van een functioneel apparaat om ademhaling door de mond mogelijk te maken.

Lusveer
Metalen lusvormige draad van een uitneembare beugel die tussen twee gebitselementen ligt.

M.
De afkorting van musculus, spier.

Macrodontie
Te grote gebitselementen.

Macroglossie
Te grote tong.

Macrognathie
Te grote kaak.

Macrostomie
Te grote mondspleet.

Main arch
Relatief dikke metalen draad (boog of orthodontische boog) die in de slotjes en buizen van een vastzittende onder- of bovenbeugel wordt geplaatst. Naast de hoofdboog is er ook een dunnere boog in de slotjes aanwezig, bijvoorbeeld een torque boog. Wordt ook wel hoofdboog genoemd.

MAD
Het MAD (mandibular advancement appliance) is een uitneembare beugel die veel gebruikt wordt bij de behandeling van sociaal hinderlijk snurken en het obstructieve slaapapneu syndroom (OSAS). Deze behandeling met beugels is in 1987 door de Almelose orthodontist dr. Hayé Remmelink in Nederland geïntroduceerd. De beugel wordt ook mandibulair repositie-apparaat (MRA) genoemd.

Malocclusie
Gebitsafwijking.

Malpraxis
Ondeskundige en soms schadelijke medische of tandheelkundige diagnostiek of behandeling.

Mammelons
Kleine knobbeltjes op de snijranden van blijvende snijtandentanden. Worden ook wel tubercula of randtubercula genoemd.

Mandibula
Onderkaak.

Mandibulair
Van de onderkaak.

Mandibulairanesthesie
Blokkering van de prikkelgeleiding van de nervus alveolaris inferior door omspuiting met een verdovingsmiddel.

Mandibulair Dysfunctie Syndroom
Combinatie van klachten aan de kauwspieren en het kaakgewricht. Tegenwoordig wordt deze combinatie van klachten meestal temporomandibulaire dysfunctie (TMD) genoemd.

Mandibulair repositie-apparaat
Het MRA (mandibulair repositie-apparaat) is een uitneembare beugel die veel gebruikt wordt bij de behandeling van sociaal hinderlijk snurken en het obstructieve slaapapneu syndroom (OSAS). Deze behandeling met beugels is in 1987 door de Almelose orthodontist dr. Hayé Remmelink in Nederland geïntroduceerd. De beugel wordt ook mandibular advancement device (MAD) genoemd.

Mandibulavlak 
Lijn tussen de cefalometrische referentiepunten gonion (Go) en gnathion (GN). De lijn geeft het verloop van de onderrand van het corpus mandibulae weer.

Mandibulaire verlengingsosteotomie 
Operatie waarbij het voorste deel van de onderkaak chirurgisch naar voren wordt verplaatst.

Masticatie 
Kauwen.

Mathieu
Pincet waarmee elastiekjes (modules) voor het vastzetten van een boog om brackets geplaatst kunnen worden. het instrument wordt ook wel mosquito of hemostat genoemd.

Maxilla
Bovenkaak.

Maxillator
Van de bovenkaak.

Maximale occlusie (MO)
De occlusie waarbij de gebitselementen maximaal contact met elkaar hebben. Andere benamingen zijn habituele occlusie en intercuspid position (ICP).

U-Bügel-Aktivator
Modificatie van de activator van Andresen volgens de Deense orthodontist dr. Per Rank.

MBT-systeem
Een veelgebruikte modificatie van de straightwire vastzittende beugel van de uitvinder van deze behandelingstechniek, Andrews. Het MBT-systeem is in 1997 door de orthodontisten Richard McLaughlin (USA), John Bennett (Engeland) en Hugo Trevisi (Brazilië) geïntroduceerd.

Mediaanlijn deviatie
De mate waarop het midden van het onder- en bovengebit ten opzichte van elkaar afwijken. Wordt ook wel midline deviation genoemd of als MLD afgekort.

Mediaanvlak
Een vlak door het midden van de bovenkaak loodrecht op het occlusievlak. Op een gebitsmodel wordt dit vlak bepaald door de lijn tussen het voorste en achterste punt van de raphe palati.

Meerdimensionale röntgenfoto
Een meerdimensionale röntgenfoto is een driedimensionale röntgenfoto van het hoofd, het gezicht of de kaken. Wordt ook wel Cone Beam CT genoemd (CBT).

Meerfunctiespuit
Tandheelkundige instrument waarmee in de mond water en/of lucht gespoten kan worden.

Melkgebit
Gebit met uitsluitend melkgebitselementen. Het melkgebit bestaat uit 20 gebitselementen.

Melkmolaar
Melkkies.

Melksteunzone
Melkhoektand en eerste en tweede melkmolaren. Deze melkgebitselementen gaan de voorwaartse verplaatsing van de eerste blijvende molaren tijdens de gebitsontwikkeling tegen. Wordt ook wel steunzone genoemd.

Mengblok
Blok bestaande uit glas of gladde vellen papier voor het mengen van composiet.

Mengspatel
Instrument voor het mengen van alginaat, pasta, cement en composiet.

Mentalis habit
Gewoonte waarbij de kinspier (musculus mentalis) overmatig wordt aangespannen en deze een grote kracht op de ondersnijtanden kan uitoefenen.

Menton 
Cefalometrisch referentiepunt dat het laagst gelegen punt op de kin aangeeft.

Mesenchym 
Embryonaal bindweefsel. Een gelatineuze massa die collageenbundels en fibroblasten bevat. Uit mesenchym ontstaan bindweefsel, kraakbeen, botweefsel, lymfevaten, bloedvaten en bijbehorende organen.

Mesh pad
Plaatje met minuscule gaatjes of inkepingen waarop een bracket of buis is bevestigd.

Mesiaal
In de gebitsboog naar voren gericht.

Mesiale drift
Van nature optredende in de gebitsboog naar voren gerichte migratie van gebitselementen.

Mesialiseren
In de gebitsboog naar voren bewegen van gebitselement.

Mesiodens
Boventallig gebitselement tussen de centrale bovenincisieven.

Mesiogressie
Voorwaartse opschuiving in de tandboog.

Mesio-occlusie
Ondergebitselementen staan ten opzichte van bovengebitselementen in voor-achterwaarste zin te ver naar voren. Wordt ook Klasse III-occlusie genoemd.

Mesocefaal
Antropologische aanduiding voor een schedelvorm met gemiddelde afmetingen.

Mesoderm
Het middelste kiemblad van een embryo. Uit het mesoderm ontstaan het bloed, het skelet, de spieren, het bindweefsel en het urogenitaal stelsel.

Microabrasie
Het verwijderen van oppervlakkige verkleuringen van het glazuur door het te polijsten met een mengsel van zuur en schuurmiddel.

Microdontie
Te kleine gebitselementen.

Microglossie
Te kleine tong.

Micrognathie
Te kleine kaak.

Midline shift, midlijn deviatie (MLD), midlijn verschuiving
Afwijkende stand van het midden van een gebitsboog ten opzichte van het mediaanvlak.

Micro-implantaat, microschroef, mini-implantaat
Klein metalen schroefje dat tijdelijk in de kaak wordt bevestigd en waaraan krachten kunnen worden ontleend voor het orthodontisch verplaatsen van gebitselementen en kaken. Andere term hiervoor is: orthodontisch implantaat. De term microschroef wordt ook gebruikt voor een kleine schroef in een uitneembaar apparaat waarmee een individueel gebitselement kan worden verplaatst.

Midline deviation
De mate waarop het midden van het onder- en bovengebit ten opzichte van elkaar afwijken. Wordt ook wel mediaanlijn deviatie genoemd of als MLD afgekort.

Minne expander
Vastzittende beugel met een speciale veer (Minne expander) waarmee in korte tijd de bovenkaak en het bovengebit kan worden verbreed door het openen van de schedelnaad (sutuur) in de bovenkaak. Deze behandeling heet snelle sutuurexpansie, rapid maxillary expansion (RME) of rapid palatal expansion (RPE). De beugel is een sutuurexpansie-apparaat. Kunsthars maakt geen deel uit van de beugel. Patiënten noemen de beugel vaak een spin. De officiële naam van de beugel is Isaacson-apparaat.

MKA-chirurg, Mond- Kaak- en Aangezichtschirurg
Tandarts en arts die een specialistenopleiding in de mondziekten en kaak- en aangezichtschirurgie aan de universiteit of academisch ziekenhuis heeft afgerond en in het BIG-register als kaakchirurg staat ingeschreven. De zorgverlener wordt ook vaak kaakchirurg genoemd.

MLD
Midline deviation of mediaanlijn deviatie. De mate waarop het midden van het onder- en bovengebit ten opzichte van elkaar afwijken.

Mm.
Musculi. Meervoud van musculus, spier.

Model
Kopie van het gebit in gips. Er zijn ook driedimensionale modellen die na scannen van gebit, afdruk of model in gips in de computer worden opgeslagen en op een beeldscherm bekeken of in kunststof geprint kunnen worden (driedimensionaal printmodel). Model wordt ook gebitsmodel genoemd.

Modellendoos
Doos voor het bewaren van gebitsmodellen van gips van een patiënt.

Modellenkast
Kast voor het bewaren van gebitsmodellen van gips van een patiënt.

Modelleerwas
Was voor het maken van een was- of constructiebeet, wasafdruk en voor het maken van een proefversie van een uitneembare beugel.

Module
Klein elastiekje voor het bevestigen van een boog in een bracket bij een vastzittende beugel. Wordt ook wel elastisch ligatuur of elastiekje genoemd.

Molaar
Grote kies. De voorste grote kies wordt eerste molaar genoemd. De achterste grote kies is de tweede molaar. In het blijvende gebit bevindt zich daarachter vaak nog een derde molaar. Deze blijvende molaar wordt vaak verstandskies genoemd.

Molaarband
Metalen ringetje om een molaar waarop een buis(je), bracket of attachment gelast kan worden.

Molar distaliser
Een bovenbeugel waarmee de blijvende eerste bovenmolaren zonder buitenbeugel naar achteren kunnen worden verplaatst. De beugel is aan de voorzijde met ankers, banden of composiet aan bovenpremolaren bevestigd. Aan de voorzijde van de beugel kan een kunsthars gedeelte (pelotte) zitten, dat tegen het gehemelte afsteunt. De beugel kan ook aan tijdelijke implantaten in het gehemelte bevestigd zijn. De eerste molaren worden met veren of schroeven naar achteren bewogen. De beugel wordt ook distalizer genoemd.

Moment
Het moment van een koppel is het product van de krachtgrootte van een van beide krachten met de kortste afstand tussen de beide krachten.

Mond
Os.

Mondgewoonte
Houding en bewegingen van onder- en bovenkaak, mond, tong en lippen en afwijkende mondgewoonten zoals duim- en vingerzuigen.

Mondheelkunde
Deelvakgebied van de tandheelkunde dat betrekking heeft op afwijkingen in de mond en het aangezicht waarvoor chirurgische behandelingen nodig zijn. Dit deelvakgebied wordt door kaakchirurgen uitgeoefend, een tandarts en arts die een specialistenopleiding in de mondziekten en kaak- en aangezichtschirurgie aan de universiteit of academisch ziekenhuis heeft afgerond en in het BIG-register als kaakchirurg staat ingeschreven. Het vakgebied heet tegenwoordig officieel: Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie. De kaakchirurg: Mond- Kaak- en Aangezichtschirurg of MKA-chirurg.

Mondholte
Cavum oris.

Mondhygiëne
Reiniging van het gebit, tandvlees en tong.

Mondhygiënist
Iemand die de voltijd hbo-opleiding Mondzorgkunde heeft afgerond. Een mondhygiënist richt zich op preventie en mondverzorging, om zo tandbederf en tandvleesaandoeningen te voorkomen en te bestrijden.

Mond- Kaak- en Aangezichtschirurg, MKA-chirurg
Tandarts en arts die een specialistenopleiding in de mondziekten en kaak- en aangezichtschirurgie aan de universiteit of academisch ziekenhuis heeft afgerond en in het BIG-register als kaakchirurg staat ingeschreven. De zorgverlener wordt ook vaak kaakchirurg genoemd.

Mondmasker
Verwijderbaar masker dat uit hygiënische overwegingen over de mond van de zorgverlener kan worden gedaan. Meestal wordt ook de neus door het masker afgedekt.

Mondpartij
Lippen.

Mondpleister
Hypoallergene elastische pleister met een gat die 's nachts gedragen wordt om open-mondhouding bij kinderen tegen te gaan.

Mondsperder
Hulpmiddel om de mond tijdens het plaatsen van brackets open te houden.

Mondspiegel
Tandheelkundig spiegeltje om in de mond te kunnen kijken. De spiegel die wordt gebruikt bij het maken van foto's in de mond wordt ook mondspiegel genoemd.

Mondspiegelheft
Steel waarin een mondspiegel kan worden bevestigd.

Monobloc
Uitneembare plastic beugel die zowel het onder- als bovengebit omvat en die uit één deel bestaat. De beugel houdt de onderkaak in een voorwaartse stand. De activator en modificaties hiervan zijn monoblocs.

Moorrees
De bekende Nederlandse orthodontist professor Coenraad Moorrees (1916-2003), hoogleraar in de orthodontie aan de Harvard School of Dental Medicine in Boston, heeft onder meer veel belangrijk onderzoek gedaan op het gebied van de gebitsontwikkeling bij kinderen.

Morsicatio buccarum
Het uit gewoonte frequent bijten op het wangslijmvlies.

Mosquito
Pincet waarmee elastiekjes (modules) voor het vastzetten van een boog om brackets geplaatst kunnen worden. Het instrument wordt ook wel Mathieu of hemostat genoemd.

Moss
De Amerikaanse Melvin L. Moss (1923-2006) was een bekende hoogleraar in de anatomie en orale biologie. Hij ontwikkelde een internationaal hoog aangeslagen wetenschappelijke theorie voor het verklaren van de groei en ontwikkeling van het gebit en gezicht (de functionele matrix theorie). Volgens deze theorie speelt het functioneren van spieren een belangrijke rol bij het groeien van kaken. Zijn Nederlandse echtgenote, Letty Moss-Salentijn, was een bekende anatoom die in dit verband ook veel onderzoek naar de groei en ontwikkeling van de schedel heeft gedaan.

Mouth guard
Kunststof beugel die om het bovengebit aansluit om de tanden bij contactsporten te beschermen. Wordt ook gebitsbeschermer genoemd.

MRA
Het MRA (mandibulair repositie-apparaat) is een uitneembare beugel die veel gebruikt wordt bij de behandeling van sociaal hinderlijk snurken en het obstructieve slaapapneu syndroom (OSAS). Deze behandeling met beugels is in 1987 door de Almelose orthodontist dr. Hayé Remmelink in Nederland geïntroduceerd. De beugel wordt ook mandibular advancement device (MAD) genoemd.

MRI-scanning
Magnetic resonance imaging scanning. Een techniek waarbij met behulp van een sterk magnetisch veld en een computer een driedimensionaal beeld van de weke delen van een lichaamsdeel kan worden gemaakt.

Mucogingivale grens
Overgang tussen slijmvlies (mucosa) en tandvlees (gingiva).

Mucokèle
Slijmcyste.

Mucopolysacharidose
Mucopolysacharidose (MPS) is een progressieve ziekte die behoort tot de groep lysosomale stapelingsziekten. De ziekte wordt veroorzaakt doordat het enzym dat glycosaminoglycanen afbreekt afwezig is of niet goed functioneert. Hierdoor ontstaat er een schadelijke stapeling van glycosaminoglycanen in het lichaam. Vaak is er sprake van gewrichtsproblemen, grove gelaatstrekken en aantasting van diverse organen. Afhankelijk van het type MPS kunnen zich bij de ziekte ook een grote schedel, open-mondhouding en obstructieve slaapapneu (OSAS) manifesteren.

Mucosa
Slijmvlies.

Müller Sporne retainer
Uitneembare bovenretentiebeugel met aan de binnenkant twee metalen uitsteeksels (Müller Spornen) die omlaag wijzen en tegen kunstharsuitsparingen aan de tongzijde van een uitneembare onderretentiebeugel aanliggen. Door de uitsteeksels worden het ondergebit en de onderkaak naar voren gehouden. De beugel wordt na een orthodontische behandeling van een Klase II malocclusie gebruikt om zowel de gecorrigeerde stand van het gebit als de occlusie zo goed mogelijk te stabiliseren. Het retentie-apparaat is in 1962 voor het eerst door de Duitse orthodontist Gerhard Müller beschreven onder de naam 'Doppelplatte mit Oberkiefer-Spornführung'.

Multibandtechniek
Verouderde term voor vastzittende orthodontische apparatuur. De term is afkomstige uit de tijd toen brackets nog niet werden geplakt maar met banden om gebitselementen werden bevestigd. In Duitsland is de term nog steeds actueel.

Multidisciplinair consult
Gezamenlijk consult van meerdere tandheelkundige en/of medische disciplines.

Multidisciplinaire tandheelkunde
Samenwerking tussen meerdere zorgverleners vanuit verschillende vakgebieden bij de diagnose en behandeling een patiënt. Deze vorm van samenwerking wordt ook wel interdisciplinaire tandheelkunde genoemd.

Multisectorenschroef
Schroef in uitneembare apparatuur die in drie richtingen kan worden uitgedraaid. Wordt ook driedimensionale schroef genoemd.

Musculi linguae
Tongspieren.

Musculi suprahyoidei
Spieren die het tongbeen met de onderkaak en schedel verbinden.

Musculus
Spier. Wordt vaak afgekort als m. of mm. (musculi, meervoud). 

Musculus buccinator, musculus buccinatorius
Wangspier. Trekt die aan de mondhoek.

Musculus constrictor pharyngis superior
Spier die de keel vernauwt.

Musculus depressor anguli oris
Spier die de mondhoek omlaag trekt.

Musculus depressor labii inferioris
Spier die de onderlip omlaag trekt.

Musculus depressor septi nasi
Spier die de neuspunt omlaag trekt.

Musculus digastricus
Tweebuikige spier die het tongbeen omhoog en de onderkaak omlaag trekt.

Musculus genioglossus
Kin-tongspier. Trekt de tong omlaag.

Musculus geniohyoideus
Kin-tongbeenspier. Trekt het tongbeen omhoog en naar voren.

Musculus hyoglossus
Tongbeen-tongspier. Trekt de tongbasis omlaag en naar achteren.

Musculus levator anguli oris
Spier die de mondhoek omhoog trekt.

Musculus levator labii superioris
Spier die de bovenlip omhoog trekt.

Musculus levator veli palatini
Spier die het zachte gehemelte omhoog trekt.

Musculus masseter
Kauwspier die de onderkaak sluit.

Musculus mentalis
Kinspier. Pruilt de onderlip naar voren en laat de huid op de kin rimpelen.

Musculus mylohyoideus
Mondbodemspier. Trekt het tongbeen omhoog en naar voren.

Musculus nasalis
Neusspier. Trekt het neuskraakbeen omlaag en verwijdt de neusopening.

Musculus orbicularis oris
Circulaire mondspier. Spitst de lippen.

Musculus palatoglossus
Gehemelte-tongspier. Trekt de tongbasis omhoog en het gehemelte omlaag.

Musculus palatopharyngeus, musculus pharyngopalatinus
Spier die het gehemelte omlaag trekt en het keelgat verkleint.

Musculus pterygoideus lateralis
Kauwspier die de onderkaak opent en het kaakkopje en de gewrichtsschijf van het kaakgewricht naar voren trekt.

Musculus pterygoideus medialis
Kauwspier die de onderkaak sluit.

Musculus  risorius
Lachspier. Trekt de mondhoek opzij.

Musculus salpingopharyngeus
Spier die de neuskeelholte omhoog trekt.

Musculus sternocleidomastoideus
Spier die het hoofd draait en omhoog heft.

Musculus styloglossus
Spier die de tong omhoog en achteren trekt.

Musculus stylohyoideus
Spier die het tongbeen omhoog en naar achteren trekt.

Musculus temporalis
Kauwspier die de onderkaak sluit.

Musculus tensor veli palatini
Spier die het zachte gehemelte spant en de buis van Eustachius opent.

Musculus uvulae
Huigspier. Trekt de huig omhoog.

Musculus zygomaticus major
Spier die de mondhoek naar achteren en omhoog trekt.

Musculus zygomaticus minor
Spier die de bovenlip naar achteren en omhoog trekt.

Musculus
Spier.

Myofunctional trainer
Prefab flexibele uitneembare plastic beugel voor het afleren van afwijkende mond- en tonggewoonten. De beugel omvat zowel het onder- als bovengebit.

Myofunctionele therapie
Oefentherapie die gericht is op verbetering van afwijkende mondgewoonten en mondspierfunties.  Wordt ook oro-myofunctionele apparatuur (OMFT) genoemd.

N.
De afkorting van nervus, zenuw.

Naaldvoerder
Tang waarmee dunne metalen draden (ligaturen) kunnen worden getwijnd. Wordt ook wel ligature tang genoemd.

Nachtbeugel
Uitneembare beugel om het eindresultaat van een orthodontische behandeling zo goed mogelijk te behouden. Wordt ook wel retentie- of afbouwbeugel genoemd.

Nance (holding) appliance
Beugel die bestaat uit twee banden om de eerste bovenmolaren die met elkaar verbonden zijn via een staaldraad langs het gehemelte achter de voortanden. Aan de voorzijde van de beugel bevindt zich een kunsthars gedeelte (pelotte) dat tegen het gehemelte afsteunt. De beugel wordt gebruikt om te voorkomen dat de bovenkiezen naar voren verplaatsen.

Narcose
Algehele verdoving of algehele anesthesie.

Nasion (N, Na) 
Cefalometrisch referentiepunt dat het meest naar voren gelegen punt van de frontonasale sutuur aangeeft.

Nasofarynx
Neus-keelholte.

Nasolabiale hoek
Hoek tussen de onderzijde van de neus en de bovenlip van opzij gezien.

Nasomaxillair
Betreffende de neus en bovenkaak.

Natale tand
Een bij de geboorte bij een baby doorgebroken tand.

Necrose
Afsterven van weefsel.

Negatieve liptrap
Onderlip staat van opzij gezien ten opzichte van de bovenlip naar achteren.

Nekband
Band in de nek die aan de facebow van een buitenbeugel kan worden vastgemaakt.

Neonatale tand
Een rond de eerste levensmaand (neonatale tand) van een baby doorgebroken tand.

Nervus
Zenuw. Wordt vaak afgekort als n. of nn. (nervi, meervoud).

Nervus alveolaris inferior
Zenuw die door de onderkaak loopt. De zenuw loopt van het foramen mandibulae in de canalis mandibulae onder de wortels van de gebitselementen door tot aan het foramen mentale en zorgt voor het gevoel van het gebit en het tandvlees van de onderkaak, de onderlip en het voorste deel van de tong.

Neurocranium
Hersenschedel. Deze bestaat uit de volgende acht schedelbeenderen die de hersenen omvatten: os frontale, os ethmoidale, os sphenoidale, os occipitale, os temporale (2) en os parietale (2).

Neuromusculair
Betreffende de zenuwen en spieren.

Neutro-occlusie
Onder- en bovengebitselementen staan in voor-achterwaarste zin goed ten opzichte van elkaar. Wordt ook Klasse I-occlusie genoemd.

Niet-werkende zijde
De andere zijde dan de zijde waarnaar de onderkaak na maximaal dichtbijten (maximale occlusie) wordt geschoven.

Night guard
Een uitneembaar beugel die 's nachts gedragen wordt om het gebit recht te houden en gebitsslijtage te voorkomen.

Nikkel-titanium
Metaallegering met zeer elastische eigenschappen waar vaak de bogen van vastzittende orthodontische beugels van zijn gemaakt. De draden bestaan meestal voor 50-54% uit nikkel en 46-50% uit titanium. Met behulp van deze bogen kunnen tanden en kiezen verplaatst worden. Nikkel-titanium bogen worden meestal tijdens de beginfase van een behandeling gebruikt.

Nitril
Synthetisch rubber materiaal dat kan worden gebruikt voor elastiekjes bij vastzittende beugels bij patiënten die allergisch voor latex zijn. Wanneer iemand allergisch voor latex is kunnen de behandelaar en medewerkers ook nitril handschoenen gebruiken. 

Niveaulijn
Lijn die de buccale knobbelpunten en incisale randen van alle gebitselementen in een kaak met elkaar verbindt.

Nn.
Nervi. Meervoud van nervus, zenuw. 

Nonvitaal
Niet levend. Wordt ook wel avitaal genoemd.

Nonvitaal gebitselement
Gebitselement waarvan de pulpa nonvitaal is. Wordt ook wel avitaal gebitselement of 'dode tand' genoemd.

Nord
Charles F. L. Nord (1887-1978) was een internationaal bekende Nederlandse tandarts die in 1928 een uitneembare beugel met een schroef introduceerde, waarmee het gebit verbreed kon worden (Nord-schroef).

Nt
Nederlands tandartsenblad. Nederlandstalig tijdschrift voor tandartsen en tandarts-specialisten dat wordt uitgegeven door de KNMT.

NTvT
Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde. Nederlandstalig wetenschappelijk tijdschrift voor tandartsen en tandarts-specialisten.

Nummering van gebitselementen
In het internationale door de FDI aangenomen systeem voor het benoemen van gebitselementen wordt aan elke tand en kies een getal toegekend dat uit twee cijfers bestaat. Voor het eerste cijfer wordt de mond in vier kwadranten verdeeld: rechtsboven 1 (bij melkgebit 5), linksboven 2 (melkgebit 6), linksonder 3 (melkgebit 7) en rechtsonder 4 (melkgebit 8). Het tweede cijfer geeft aan op welke volgorde het gebitselement van voren af aan gezien in de tandboog staat. De snijtanden hebben van voren naar achteren de cijfers 1 en 2, de hoektanden 3, de premolaren en melkmolaren 4 en 5 en de blijvende molaren 6, 7 en 8. De getallen worden afzonderlijk per cijfer uitgesproken, dus de 36 heet niet 'zesendertig', maar 'drie zes'. Deze aanduiding van gebitselementen, die in 1924 door de Oostenrijkse kinderarts Clemens Pirquet (1874-1929) is geintroduceerd, staat ook bekend als het ISO 3950 systeem.

NVOS
Nederlandse Vereniging voor Orthodontische Studie, een vereniging die congressen op het gebied van de orthodontie organiseert.

NVSCA
Nederlandse Vereniging voor Schisis en Craniofaciale Afwijkingen, landelijke wetenschappelijke vereniging voor de behandeling van patiënten met schisis en aanverwante afwijkingen in teamverband.

NVTS
Nederlandse Vereniging voor Tandheelkundige Slaapgeneeskunde, landelijke wetenschappelijke vereniging voor de tandheelkundige behandeling van patiënten met slaapstoornissen zoals snurken en obstructieve slaapapneu (OSA).

NVvO
Nederlandse Vereniging van Orthodontisten (NVvO), de in 1953 opgerichte landelijke wetenschappelijke beroepsvereniging van orthodontisten. Oorspronkelijk heette de vereniging Nederlandse Vereniging van Orthodontisten ‘DMO’ (DMO). Vanaf 2007 luidde de naam Vereniging van Orthodontisten (VvO). In 2015 is de naam van de specialistenvereniging in NVvO gewijzigd.  

NWVT
Nederlandse Wetenschappelijk Vereniging van Tandartsen. In 1904 opgericht als NVT.

NZa
De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) is een zelfstandig bestuursorgaan dat tarieven, prestaties, budgetten en regels voor de gezondheidszorg vaststelt.

Obesitas
Overgewicht. Deze wordt met de body mass index (BMI) omschreven. De BMI wordt berekend door het lichaamsgewicht in kilo's te delen door het kwadraat van de lengte in meters. Mensen met een BMI hoger dan 30 kg/m2 worden als obees beschouwd.

Obstructie
Afsluiting.

Obstructief Slaap Apneu Syndroom, Obstructieve Slaapapneu
Obstructief Slaap Apneu Syndroom (OSAS) of Obstructieve Slaap Apneu (OSA), een beperkte doorgankelijkheid van de bovenste luchtweg tijdens de slaap die wordt gekenmerkt door snurkgeluiden en tijdelijke adempauzes. OSAS kan tot een scala aan gezondheidsproblemen leiden, zoals ernstige vermoeidheid, hart- en vaatziekten en hoge bloeddruk. Voor de behandeling van OSAS worden tegenwoordig vaak beugels gebruikt (mandibulaire repositie-apparaten ofwel MRA's).

Obstructieve mondademhaling
Door de mond adem halen als gevolg van een beperkte of afgesloten doorgankelijkheid van de bovenste luchtweg.

Occludator
Apparaat waarmee gebitsmodellen ten opzichte van elkaar kunnen worden gefixeerd in de positie waarin de constructiebeet is gemaakt.

Occlusaal
Aan de occlusiezijde ofwel kauwvlakzijde.

Occlusale opbeet röntgenfoto
Röntgenfoto van (een deel van) het gehemelte en de boventandboog.

Occlusale röntgenfoto
Tandfilm van de bovenkaak om de positie van een bovenhoektand in de bovenkaak vast te stellen.

Occlusale steun
Metalen draadje van een uitneembare beugel dat op een kies ligt.

Occlusie
Wijze waarop onder- en bovengebitselementen bij dichtbijten tegen elkaar aan komen. Wordt ook statische occlusie genoemd.

Occlusale vlak, occlusievlak
Kauwvlak. Op een gebitsmodel is dit het vlak dat de knobbels van de bovenmolaren en bovenpremolaren met elkaar verbindt. Op een röntgenschedelprofielfoto is dit de verbindingslijn tussen het midden van de verticale overbeet van de centrale incisieven en de eerste grote kiezen.

Odontoblast
Cel die predentine vormt.

Odontoom
Boventallige onderontwikkelde tandachtige structuur.

Offset
Verbuiging van een draad.

Oligodontie
Het niet aangelegd van diverse gebitselementen.

OMFT
OMFT staat voor oro-myofunctionele therapie. Deze therapie bestaat uit oefeningen die gericht zijn op verbetering van afwijkende mondgewoonten en mondspierfunties.

Omgekeerde headgear
Buitenbeugel die op het gezicht afsteunt. De beugel wordt ook wel face mask of Delaire genoemd. De Franse kaakchirurg professor Jean Delaire is de uitvinder van de beugel.

Omgekeerde sagittale overbeet, omgekeerde overbeet
Situatie waarbij de ondertanden voor de boventanden dichtbijten.

Omloop assistent
Assistent die zorgt voor de verplaatsing van tandheelkundige instrumenten tussen behandelkamer(s) en sterilisatieruimte.

Onderlipinterpositie
Onderlip bevindt zich in rust tussen de onder- boventanden. Wordt ook wel lipinterpositie genoemd.

Ontkalking
Beginstadium van een gaatje (cariës) in een gebitselement.

Onzichtbare beugel
Dun, doorzichtig plastic hoesje waarmee het gebit rechter kan worden gemaakt. Het hoesje is uitneembaar en past op het boven- en/of ondergebit. Het is vrijwel niet te zien. Bij de behandeling wordt een serie hoesjes gebruikt, die allemaal net een klein beetje van elkaar verschillen. Door een hoesje tijdens de behandeling telkens te vervangen door een nieuwe wordt het gebit geleidelijk steeds rechter gezet. Een onzichtbare beugel wordt ook wel aligner of clear aligner genoemd.

Oordoppen
Met behulp van de twee oordoppen van de hoofdhouder (röntgencefalostaat) en de orbitastaaf, een staaf die naar de onderrand van het de linker oogkas (orbitale) wijst, kan het hoofd in de Frankfurter Horizontale worden gefixeerd.

Opbeet
Beugel(gedeelte) waarop de ondertanden dichtbijten.

Open activator
Activator die aan de voorzijde helemaal open is. Het oorspronkelijke idee voor het ontwerp is afkomstig van de Duitse orthodontist Georg Klammt (1907-2003).

Open beet
Verticale afstand tussen onder- en bovengebitselementen bij dichtbijten.

Open coil 
Klein veertje om bij een vaste beugel tanden en kiezen van elkaar af te duwen. Wordt ook wel push coil spring genoemd.

Open-mondgedrag
De situatie waarbij de mond uit gewoonte wordt open gehouden zonder dat er door de mond wordt adem gehaald.

Open-mondhouding
Het in rust open houden van de mond.

Open schroef
Schroef in een beugel die kan worden dichtgedraaid voor het versmallen van gebit en kaak.

Opleider
Degene die verantwoordelijk is voor de opleiding tot specialist.

Opleidingsinstelling
Instelling waar een opleiding tot specialist kan worden gevolgd.

Oprichten
Tandbeweging waarbij het gebitselement evenwijdig aan de kaakwal wordt gekipt.

Opstijgende tak
Het achterste opstijgende gedeelte van de onderkaak. Wordt ook wel ramus mandibulae genoemd.

Oral screen
Kunststof scherm die los in de mondholte aan de binnenzijde van de wangen en lippen ligt. Het hulpmiddel is bedoeld om mondademhaling en afwijkende zuiggewoonten bij kinderen tegen te gaan. Een andere namen voor oral screen zijn vestibulair apparaat of vestibulaire plaat.

Orbita
Oogkas.

Orbitaalstaaf
Staafvormig onderdeel van de hoofdhouder (röntgencefalostaat) die naar de onderrand van het de linker oogkas (orbitale) wijst. Met behulp van dit staafje en twee oordoppen kan het hoofd in de Frankfurter Horizontale worden gefixeerd.

Orbitale (Or) 
Cefalometrisch referentiepunt dat het onderste punt van de onderrand van de linker oogkas aangeeft.

Orbitavlak
Vlak loodrecht op de Frankfurter Horizontale en het mediaanvlak.

Orofaciaal fysiotherapeut
Fysiotherapeut die een speciale opleiding op het gebied van orofaciale fysiotherapie heeft gevolgd. Deze is er op gericht om klachten met betrekking tot het kaakgewricht, kauwspieren en andere spieren en functiestoornissen in het hoofd-, halsgebied door middel van oefentherapie te verminderen. De zorgverlener wordt ook kaakfysiotherapeut genoemd.

Orofarynx
Mond-keelholte.

Oro-myofunctionele therapie (OMFT)
Oefentherapie die gericht is op verbetering van afwijkende mondgewoonten en mondspierfunties.  Wordt ook myofunctionele apparatuur genoemd.

Orthodontics & Craniofacial Research (Orthod Craniofac Res)
Internationaal wetenschappelijk orthodontisch tijdschrift.

Orthodontie
Deelvakgebied van de tandheelkunde dat zich bezig houdt met het verbeteren van de stand van gebitselementen en kaken door middel van beugels. Wordt ook wel dentomaxillaire orthopedie (afgekort DMO) genoemd. De term orthodontie (Eng.: orthodontics) is uit het oud-Grieks afgeleid van het voorvoegsel ortho (recht) en het zelfstandig naamwoord odon (tand; 2e naamval odontos). Het woord orthodontics komt vanaf 1905 in de tandheelkundige literatuur voor. Voor die tijd (vanaf 1840) werd in plaats hiervan de op basis van het Latijn aangepaste term orthodontia gebruikt. 

Orthodontie-assistent, orthodontist-assistent
Iemand die ondersteuning biedt aan de orthodontist bij de voorbereiding, uitvoering en afronding van behandelingen. De orthodontie-assistent voert bepaalde onderdelen van orthodontische behandelingen uit.

Orthodontisch-chirurgische behandeling
Behandeling waarbij de stand van het gebit met een beugel wordt veranderd en (een deel of delen van) de kaak of kaken chirurgisch wordt verplaatst. Wordt ook gecombineerde orthodontisch-chirurgische behandeling genoemd.

Orthodontische boog
Metalen draad die in de slotjes en buizen van een vastzittende beugel wordt bevestigd. Wordt ook wel boog genoemd.

Orthodontische diagnose
Beschrijving van de stand van het gebit en de kaken en andere in dit verband relevante bevindingen.

Orthodontisch implantaat
Klein metalen schroefje dat tijdelijk in de kaak wordt bevestigd en waaraan krachten kunnen worden ontleend voor het orthodontisch verplaatsen van gebitselementen en kaken. Andere termen hiervoor zijn: micro-implantaat, microschroef en mini-implantaat.

Orthodontisch laboratorium
Tandtechnisch laboratorium gespecialiseerd in het maken van gebitsmodellen en beugels.

Orthodontisch technicus
Tandtechnicus gespecialiseerd in het maken van gebitsmodellen en beugels.

Orthodontist
Tandarts die een 4-jarige fulltime specialistenopleiding aan de universiteit of het academisch ziekenhuis heeft afgerond en in het BIG-register als orthodontist staat ingeschreven. Om in dit register ingeschreven te blijven moet een orthodontist zich iedere 5 jaar herregisteren (herregistratie).

Orthognathische chirurgie
Kaakchirurgische operatie (kaakosteotomie) om de stand van de kaken te verbeteren.

Orthopantomogram (OPG, OPT)
Overzichtsröntgenfoto van het gebit en de kaken. Wordt ook wel panoramische röntgenfoto genoemd.

Os
Mond en bot.

OSA(S)
Obstructief Slaap Apneu Syndroom of Obstructieve Slaap Apneu, een beperkte doorgankelijkheid van de bovenste luchtweg tijdens de slaap die wordt gekenmerkt door snurkgeluiden en tijdelijke adempauzes. OSAS kan tot een scala aan gezondheidsproblemen leiden, zoals ernstige vermoeidheid, hart- en vaatziekten en hoge bloeddruk. Voor de behandeling van OSAS worden tegenwoordig vaak beugels gebruikt (mandibulaire repositie-apparaten ofwel MRA's).

Os ethmoidale
Zeefbeen.

Os frontale
Voorhoofdsbeen.

Os hyoideum
Tongbeen. Wordt vaak hyoïd genoemd.

Os frontale
Voorhoofdsbeen.

Os incisivum, os intermaxillare
Embryonaal botstukje aan de voorzijde tussen de beide helften van de bovenkaak. In het botje zitten de kiemen van de bovensnijtanden. Bij de mens groeit het tijdens de embryogenese aan de beide bovenkaakdelen vast. Bij een dubbelzijdige schisis (hazenlip) vindt deze versmelting echter niet plaats en steekt het vaak als afzonderlijk botje naar voren uit. Het botje wordt ook wel premaxilla genoemd.

Os lacrimale
Traanbeen.

Os nasale
Neusbeen.

Os occipitale
Achterhoofdsbeen.

Os palatinum
Gehemeltebeen.

Os parietale
Wandbeen.

Os sphenoidale
Wiggebeen.

Os temporale
Slaapbeen.

Os zygomaticum
Jukbeen. Wordt ook wel zygoma genoemd.

Osteoblasten
Botaanmakende cellen.

Osteoclasten
Botafbrekende cellen.

Osteodistractie
Procedure waarbij een kaak na het chirurgisch doorzagen van de buitenste botlaag met in het bot bevestigde schroeven en een uitdraaimechanisme wordt verlengd. Wordt ook wel distractie of distractie-osteogenese genoemd.

Osteogeen
Botvormend.

Osteoïd
Eiwitmengsel dat door botaanmakende cellen (osteoblasten) wordt uitgescheiden. Het mengsel wordt na mineralisatie botweefsel.

Osteonecrose
Afsterven van botweefsel.

Osteosynthese
Verbinding tussen kaakgedeelten bij osteotomie met metalen schroeven of draden.

Osteotomie
Chirurgische operatie waarbij (een deel van) een kaak wordt verplaatst.

Otitis
Oorontsteking.

Ouderentandarts
Tandarts met een speciale opleiding (differentiatie) die gericht is op de diagnostiek en behandeling van ouderen. De zorgverlener wordt ook wel tandarts-geriatrie genoemd.

Overbeet
Voor-achterwaartse afstand tussen onder- en bovensnijtanden bij dichtbijten. Wordt ook wel sagittale overbeet (SOB), horizontale overbeet (HOB) of overjet genoemd.

Overbite
Verticale overlap van onder- en bovensnijtanden bij dichtbijten. Wordt ook wel verticale overbeet genoemd.

Overcorrectie
Behandeling waarbij een bepaald afwijkend kenmerk van een maloccusie wordt overgecorrigeerd, omdat het resultaat van de orthodontisch verkregen correctie na afloop de neiging heeft gedeeltelijk of volledig terug te lopen (recidief).

Over-eruptie
Het te ver uitgroeien van een gebitselement.

Overjet
Voor-achterwaartse afstand tussen onder- en bovensnijtanden bij dichtbijten. Wordt ook wel overbeet, sagittale overbeet (SOB) of horizontale overbeet (HOB) genoemd.

Overkapping
Kunstharsgedeelte dat gebitselementen omvat.

Ovoid
Eivormig. Een Engelse term die in de orthodontie vaak wordt gebruikt voor het beschrijven van de vorm van tandbogen en de metalen bogen voor een vastzittende beugel. 

Palatal bar, palatinale boog
Vastzittende metalen draad, ook wel transpalatal arch, TPA of (naar de Amerikaanse uitvinder ervan) Goshgarian genoemd. De draad loopt langs het gehemelte van de linker naar de rechter kies.

Palatinaal
Aan de gehemeltezijde.

Palato-inclinatie, palatoversie
Naar binnen gekipte stand van voortanden. Wordt ook wel inversie, linguoversie, retroversie, linguo-inclinatie of retroclinatie genoemd.

Palatopositie
Gebitselementen staan naar achteren. Wordt ook wel retropositie of linguopositie genoemd.

Palatoschisis
Gehemeltespleet.

Palatum
Gehemelte.

Palatumbeet
Ondertanden bijten tegen het gehemelte aan.

Palatum durum
Harde gehemelte.

Palatum molle
Zachte, bewegelijke, achterste deel van het gehemelte.

Palpatie
Onderzoek door voelen met de vingers.

Panoramische röntgenfoto
Overzichtsröntgenfoto van het gebit en de kaken. Wordt ook wel orthopantomogram (OPG of OPT) genoemd.

PAO(T)
Postacademisch onderwijs (tandheelkunde).

Papil, papilla
Verhevenheid of tepeltje. Doorgaans wordt hiermee bedoeld het tandvlees tussen twee aanliggende tanden of kiezen. Het wordt ook wel interdentale papil (papilla interdentalis) genoemd. Daarnaast bevinden zich ook papillen op het oppervlak van de tong (smaakpapillen).

Papilla incisiva
Verhevenheid van het slijmvlies aan de voorkant van het gehemelte ter plaatse van de voorzijde van de raphe palati.

Paranasaal botanker
Metalen staafje dat tijdelijk in het bot naast de neus wordt bevestigd en waaraan krachten kunnen worden ontleend voor het orthodontisch verplaatsen van gebitselementen en kaken.

PAR-index
Peer Assessment Rating (PAR) Index, een mede door de Engelse orthodontisten professor Richmond en professor Shaw ontwikkeld instrument om te meten in hoeverre de stand van het gebit na een orthodontische behandeling verbeterd is.

Pariëtale headgear
Buitenbeugel met petje op het hoofd. Wordt ook wel high-pull headgear genoemd.

Parodontaal ligament
Wortelvlies. Wordt ook wel parodontale membraan, periodontale ligament of ligamentum periodontale genoemd.

Parodontale membraan
Wortelvlies. Wordt ook wel parodontaal ligament, periodontale ligament of ligamentum periodontale genoemd.

Parodontale spleet
Ruimte tussen wortel en tandkas. Wordt ook wel periodontale ligament genoemd.

Parodontitis
Ontstoken weefsels waarmee een gebitselement in de kaak vastzit.

Parodontium
De weefsels waarmee een gebitselement in de kaak vastzit.

Parodontoloog, tandarts-parodontoloog
Tandarts met een speciale opleiding (differentiatie) die zich bezighoudt met de diagnose en behandeling van ernstige aandoeningen van de weefsels waarmee gebitselementen in de kaak vastzitten (parodontium) en het plaatsen van implantaten.

Partiële vastzittende apparatuur
Beugel die met brackets (slotjes) op de gebitselementen van de onderkaak of de bovenkaak vastzit. De beugel wordt ook wel gedeeltelijke vastzittende apparatuur genoemd.

Passen in was
Het bij een patiënt in de mond passen van een proefversie van een uitneembare beugel in modeleerwas.

Patiënt
Een persoon aan wie medische, tandheelkundige, paramedische en/of verpleegkundige hulp wordt verleend. Patiënt is afkomstig van het Latijnse woord patientia dat het lijden betekent. 

Patiëntenservet
Veelal geplastificeerde papieren doek om de kleding van de patiënt af te dekken ter bescherming tegen bij de behandeling wegspattende vloeistoffen.

PEBP (pre-epiglottic baton plate)
Kunsthars gehemelteplaatje met een lang uitsteeksel aan de achterzijde om de tong bij baby's met Pierre Robin-sequentie naar voren te houden en belemmeringen van de luchtweg tegen te gaan.

Pedodontoloog, tandarts-pedodontoloog
Iemand die een speciale opleiding (differentiatie) op het gebied van kindertandheelkunde heeft gevolgd. Vaak gaat het daarbij om angstige kinderen, jonge kinderen met veel gaatjes en kinderen met gedragsproblemen, lichamelijke of verstandelijke beperkingen of medische problematiek. Een pedodontoloog wordt ook kindertandarts genoemd.

Peerreview
Methode om de kwaliteit van wetenschappelijk werk te controleren en verbeteren door het door onafhankelijke deskundigen (reviewers) te laten beoordelen. Meestal gebeurt dat anoniem.

Peg shaped lateral
Laterale bovenincisief met een spits toelopende, kegelvormige kroonvorm. Wordt ook wel kegeltand genoemd.

Pelotte
Kunsthars afsteuning.

Pendulum
Een vastzittende bovenbeugel waarmee de blijvende eerste bovenmolaren zonder buitenbeugel naar achteren kunnen worden verplaatst. De beugel bestaat uit twee veerkrachtige roestvrij stalen veren met windingen die bevestigd zijn in een kunsthars pelotte die tegen het gehemelte aanligt. De pelotte zit aan de eerste bovenpremolaren vast. Aan de achterkant van het apparaat zitten de veren in sheats aan de binnenzijde van de eerste blijvende molaren. De beugel is uitgevonden door de Amerikaanse orthodontist James Hilgers. Er bestaan diverse modificaties van de pendulum. Het type beugel wordt distalizer of molar distalizer genoemd.

Percussie
Bekloppen.

Peri
Om of rond.

Peri-apicaal
Rond de wortelpunt (apex) van een gebitselement.

Pericoronitis
Ontsteking van weefsel om een gedeeltelijk doorgebroken gebitselement.

Perinatale tand
Een bij de geboorte (natale tand) of rond de eerste levensmaand (neonatale tand) bij een baby doorgebroken tand.

Periodontale spleet
Ruimte tussen wortel en tandkas. Wordt ook wel parodontale ligament, parodontale membraan, periodontale ligament of ligamentum periodontale genoemd.

Persistentie
Het te lang blijven zitten van een melkgebitselement.

Pierre Robin
Franse mondarts (1867-1950) die onder meer zich bezighield met de behandeling van patiënten met luchtwegaandoeningen samenhangend met een gespleten gehemelte (schisis). Behalve een gespleten gehemelte wordt het syndroom gekenmerkt door een kleine onderkaak en een achterin de keel liggende tong. Deze drie afwijkingen zorgen ervoor dat er levensbedreigende luchtwegbeperkingen kunnen optreden. De problemen manifesteren zich meestal vlak na de geboorte. In 1902 beschrijft Robin voor het eerst het gebruik van een rubberen beugel ('monobloc') voor het openhouden van de luchtweg van deze patiënten. Het syndroom van Pierre Robin of de sequentie van Pierre Robin (ook Robinsyndroom of -sequentie) is naar hem vernoemd. Zie ook: syndroom van (Pierre) Robin. Vanaf 1908 gaat de hoogleraar orthodontie in Oslo Viggo Andresen voor het eerst een dergelijke beugel gebruiken om de voorwaartse groei van de onderkaak en het ondergebit bij kinderen orthodontisch te stimuleren. Hij noemt deze beugel 'activator'. Zie ook: Andresen. Variaties van deze beugel worden tegenwoordig ook veel gebruikt bij patiënten met het Obstructief Slaap Apneu Syndroom (OSAS). De behandeling van OSAS met deze beugels is in 1987 door de Almelose orthodontist dr. Hayé Remmelink in Nederland geïntroduceerd.

Pijlanker
Metalen draadje met een pijlvormig uiteinde waarmee een uitneembare beugel aan het gebit wordt vastgehouden.

Plaat
Uitneembare beugel voor onder- of bovengebit. Een andere benaming is plaatapparaat. 

Plagiocefalie
Asymmetrische schedelvorm als gevolg van te vroeg sluiten van een sutuur. De afwijkende vorm van het hoofd kan ook ontstaan doordat een baby te vaak in dezelfde rughouding ligt (houdingsgebonden plagiocefalie).

Plakbuis
Buis op een molaar waarin de boog van een vastzittende beugel kan worden bevestigd. Een plakbuis buis zit op de kies geplakt en is niet op een band om de kies gelast.

Plaque
Zachte massa die zich bij onvoldoende mondhygiëne op het tandoppervlak vormt en hier gaatjes in veroorzaakt. Door plaque ontstaan ook ontstekingen van de weefsels waarmee gebitselementen in de kaak vastzitten. Plaque, ook wel tandplaque genoemd, is een voorbeeld van biofilm.

Plaque Index
Score van de hoeveelheid plaque op het gebit.

Plaqueverklikker
Tabletjes of vloeistof waarmee plaque gekleurd en zichtbaar gemaakt kan worden.

Platbektang
Tang waarbij de binnenkant van de helften van de bek vlak zijn.

Plier
Instrument om orthodontische bogen te buigen. Tang.

Pocket
Vergrote ruimte tussen gebitselement en tandvlees.

Pocket sonde
Instrument om de diepte van pockets te kunnen meten.

Pocket status
Score van de diepte van pockets bij alle tanden en kiezen.

Poetstrauma
Beschadiging van gebitselement of tandvlees door een tandenborstel met te stugge haren, een zeer afslijtende tandpasta en/of het te hard poetsen met te grote poetsbewegingen.

Pogonion (Pg)
Cefalometrisch referentiepunt dat het meest naar voren gelegen punt op de kin aangeeft aangeeft.

Polijstborstel
Klein ronddraaiend borsteltje voor het polijsten van gebitselementen met polijstpasta. 

Polijstcupje
Klein ronddraaiend rubberen bekertje voor het polijsten van gebitselementen met polijstpasta. 

Polijsten
Verwijderen van lijmresten op gebitselementen na het verwijderen van een vastzittende beugel met een polijstboortje en een klein ronddraaiend borsteltje of rubberen bekertje met polijstpasta. 

Polijstpasta
Pasta die gebruikt wordt voor het polijsten van gebitselementen met een klein ronddraaiend borsteltje of rubberen bekertje.

Polygrafie
Slaaponderzoek met registratie van ademhaling zuurstofsaturatie (verzadiging) in het bloed en hartfrequentie.

Polysomnografie
Slaaponderzoek met registratie van ademhaling zuurstofsaturatie (verzadiging) in het bloed, hartfrequentie en elektro-encefalogram.

Porion (Po) 
Cefalometrisch referentiepunt dat bovenste punt van de uitwendige gehoorgang aangeeft.

Porselein conditioner
Vloeistof om porselein bij het plakken van een bracket mee voor te behandelen.

Positieve liptrap
Onderlip staat van opzij gezien ten opzichte van de bovenlip naar voren.

Positioner
Uitneembare beugel van flexibele kunststof die zowel het onder- als bovengebit omvat. De beugel wordt gebruikt om het eindresultaat van een behandeling zo goed mogelijk vast te houden. Met de beugel kunnen ook nog kleine verbeteringen in de stand van gebitselementen worden uitgevoerd. De beugel is door de Amerikaanse orthodontist Peter Kesling ontwikkeld.

Positioner gauge
Instrument om bij het plaatsen van een vastzittende beugel de hoogte van brackets ten opzichte van de snijranden van tanden te kunnen meten.

Posted boog
Boog bij vastzittende beugel met haakjes ter plaatse van de hoektanden.

Posterieure open beet
Verticale afstand tussen onder- en bovenpremolaren en molaren bij dichtbijten.

Posthoornveer
Metalen draad in uitneembare beugel om gebitselementen in de tandboog te verplaatsen. Wordt ook varkensstaart- of krulstaartveer genoemd.

Power chain
Ketting van elastiekjes. Wordt ook wel chain genoemd.

Praktijkmanager
Iemand die zich bezighoudt met het beleid en management van de praktijk.

Predentine
Weefsel waaruit na verkalking dentine ontstaat.

Predictie
Voorspelling.

Predispositie
Vatbaarheid, voorbeschiktheid of aanleg.

Pre-epiglottic baton plate (PEBP)
Kunsthars gehemelteplaatje met een lang uitsteeksel aan de achterzijde om de tong bij baby's met Pierre Robin-sequentie naar voren te houden en belemmeringen van de luchtweg tegen te gaan.

Prematuur verlies
Voortijdig verlies.

Premaxilla
Embryonaal botstukje aan de voorzijde tussen de beide helften van de bovenkaak. In het botje zitten de kiemen van de bovensnijtanden. Bij de mens groeit het tijdens de embryogenese aan de beide bovenkaakdelen vast. Bij een dubbelzijdige schisis (hazenlip) vindt deze versmelting echter niet plaats en steekt het vaak als afzonderlijk botje naar voren uit. Het botje wordt ook wel os incisivum of os intermaxillare genoemd. 

Premolaar
Kleine blijvende kies. De voorste kleine kies wordt de eerste premolaar genoemd. De achterste kleine kies is de tweede premolaar.

Premolaarband
Metalen ringetje om een premolaar waarop een buis(je), bracket of attachment gelast kan worden.

Premolaarbreedte
Breedte van de kroon van een premolaar gemeten in het verloop van de tandboog.

Prenataal consult
Consult door aankomende ouder(s) in verband met geconstateerde afwijking bij ongeboren kind, bijvoorbeeld in het geval van schisis (hazenlip).

Preprothetische orthodontie
Orthodontische behandeling ten behoeve van een prothetische tandheelkundige voorziening, zoals bijvoorbeeld een brug of kroon.

Prescription
De oriëntatie van de slotopening van een straightwire bracket volgens een internationaal vooraanstaande orthodontist.

Pre-torque boog
Boog bij vastzittende beugel waarin door de fabrikant torque is aangebracht.

Preventieassistent
Een tandartsassistent die is opgeleid in het uitvoeren van preventieve handelingen en mondhygiëne.

Preventieve behandeling
Behandeling om het ontstaan van een ongunstige gebitsontwikkeling te voorkomen.

Primaire crowding
Gedrongen stand van gebitselementen als gevolg van relatief grote gebitselementen en een kleine kaak.

Primary failure of eruption (PFE)
Primary failure of eruption (PFE), de situatie waarbij een nog niet doorgebroken tand of kies tijdens de gebitsontwikkeling niet verder groeit.

Primer
Vloeistof om het glazuur bij het plakken van een bracket mee voor te behandelen.

Printmodel
In kunststof geprinte driedimensionale kopie van het gebit. Het printmodel is gemaakt nadat het via scannen van gebit, afdruk of model in gips in de computer is opgeslagen.  Printmodel wordt ook driedimensionaal printmodel genoemd.

Processus alveolaris
Kaakwal.

Processus condylaris
Het achterste uitsteeksel van de achterzijde (ramus) van de onderkaak met het kaakkopje.

Processus coronoideus
Het voorste uitsteeksel van de achterzijde (ramus) van de onderkaak. De musculus temporalis hecht hieraan.

Processus zygomaticus
Zijwaarts uitstekend botgedeelte waarmee de bovenkaak met het jukbeen (os zygomaticum) verbonden is.

Proclinatie
Naar voren gekipte stand van voortanden. Wordt ook wel eversie, labioversie of labio-inclinatie genoemd.

Professor K.G. Bijlstra Stichting
Stichting, vernoemd naar de Groningse hoogleraar Klaas G. Bijlstra (1905-1985), die wetenschappelijk onderzoek, onderwijs en voorlichting op het gebied  van de orthodontie ten behoeve van de specialistenopleiding van het UMCG bevordert. Professor Bijlstra heeft een belangrijke rol gespeeld bij de oprichting van het specialisme orthodontie in Nederland in 1953.

Profylaxe
Voorzorgsmaatregelen om een ziekte te voorkomen.

Progenie
Naar voren staande kin. De term 'progenie' wordt meestal ook gebruikt om een naar voren staande onderkaak (mandibulaire prognathie) mee aan te duiden.

Prognathie
Naar voren staande kaak.

Progress in Orthodontics (Prog Orthod)
Internationaal wetenschappelijk orthodontisch tijdschrift, dat door de Italian Society of Orthodontics (SIDO) wordt uitgegeven.

Promotie, promoveren
Het behalen van de hoogste academische graad (doctoraat) in een bepaalde studierichting. Deze wordt toegekend na het doen van onderzoek en het schrijven en verdedigen van het onderzoeksverslag (academisch proefschrift of dissertatie). Aan de gepromoveerde wordt de titel doctor (dr.) toegekend.

Propositie
Voortanden staan naar voren. Wordt ook wel labiopositie genoemd.

Prosoposcoop
Een vereenvoudigde versie van de cubus cranioforus, een methode om met een aangezichtsafgietsel en gebitsmodel driedimensionaal de onderlinge relatie van het gebit en de aangezichtsschedel te kunnen beoordelen. De kubus werd in 1915 door de Utrechtse lector orthodontie dr. J.A.W. van Loon (1876-1940) in het destijds toonaangevende internationale tijdschrift Dental Cosmos geïntroduceerd. De prosoposcoop werd in 1923 geïntroduceerd.

Prothese element
Kunststof gebitselement dat aan een beugel kan worden bevestigd om een afwezig gebitselement te vervangen. Wordt ook wel kunsthars element genoemd.

Prothetische voorziening, prothetische tandheelkundige voorziening
Voorziening die afwezige gebitselement(en) vervangt, zoals bijvoorbeeld een kroon of brug.

Proaal, protraal
Naar voren.

Proale dwangbeet, protrale dwangbeet
Dwangbeet waarbij de onderkaak naar voren afglijdt.

Protruderen, protrusie
Naar voren verplaatsen van voortanden.

Protrusieveer
Metalen draad van uitneembare beugel om voortanden naar voren te verplaatsen.

PubMed
Veelgebruikte via internet toegankelijke zoekrobot met referenties naar wetenschappelijke medische publicaties.

Pulpa
Binnenste gedeelte van een gebitselement, waarin zich een vaatzenuwstreng, losmazig bindweefsel en odontoblasten bevinden.

Pulpitis
Ontsteking van de pulpa.

Push coil 
Klein veertje om bij een vaste beugel tanden en kiezen van elkaar af te duwen. Wordt ook wel open coil spring genoemd.

Quad helix
Veerkrachtige staaldraad met diverse windingen. De draad ligt tegen de binnenzijde van het bovengebit aan en is via banden aan de linker en rechter eerste boven premolaren en eerste bovenmolaren bevestigd.

Raderen
Verwijderen van gips van een gebitsmodel.

Radiolucentie
Donker gebied op een röntgenfoto.

Radio-opaciteit
Licht gebied op een röntgenfoto.

Radio-osteonecrose
Afsterven van botweefsel ten gevolge van bestraling.

Radix
Het gedeelte van een gebitselement dat zich in de kaak bevindt. Wordt ook wortel genoemd.

Rapid maxillary expansion (RME)
Het snel verbreden van de bovenkaak en het bovengebit door de schedelnaad (sutuur) in de bovenkaak met behulp van een vastzittende beugel met een schroef te openen. Voor deze zogenaamde sutuurexpansie zijn verschillende typen beugels beschikbaar, zoals: Hyrax of Biedermann, Haas-, Derichsweiler- en Isaacson-apparaat of Minne Expander. Patiënten noemen de beugel vaak een spin. De behandeling wordt ook wel snelle sutuurexpansie of rapid palatal expansion (RPE) genoemd.

Ragertje
Klein borsteltje om het gebit en tandvlees achter de boog van een vastzittende beugel schoon te kunnen maken. Kan ook gebruikt worden om de ruimte tussen gebitselementen of onder een brug te reinigen. Ragertjes worden ook wel interdentale borsteltjes genoemd.

Rail mechanisme
Het tijdens de gebitsontwikkeling tot stand komen van de occlusie, waarbij de onder- en bovenkiezen op geleide van de in elkaar passende knobbels en groeven (fissuren) van de kauwvlakken ten opzichte van elkaar verplaatsen. Het wordt ook wel met de term 'kegel-trechter mechanisme' aangeduid, een begrip dat door de Nijmeegse hoogleraar orthodontie F.P.G.M. van der Linden geïntroduceerd is.

Ramus mandibulae
Het achterste opstijgende gedeelte van de onderkaak. Wordt ook wel opstijgende tak genoemd.

Randtubercula
Kleine knobbeltjes op de snijranden van blijvende snijtandentanden. Worden ook wel tubercula of mammelons genoemd.

Randlijst
Rand aan de mesiale en distale zijde van de kroon van een gebitselement.

Ranula
Slijmcyste in de mondbodem die zich in de uitvoergang van de glandula sublingualis bevindt.

Raphe palati
Slijmvliesnaad in het midden van het gehemelte.

RCT
RCT staat voor Randomized Controlled Trial, een wetenschappelijk onderzoek waarbij de invloed van een behandeling bij een experimentele groep wordt vergeleken met die van een niet behandelde controlegroep en waarbij toewijzing aan deze groepen door het lot (aselect of gerandomiseerd) wordt bepaald.

Re-activeren
Opnieuw op spanning brengen.

Recessie
Teruggetrokken tandvlees. Wordt ook wel gingivarecessie genoemd.

Recidief
Terugkeer van een orthodontisch gecorrigeerd gebit naar de oorspronkelijke stand. Wordt ook wel relaps genoemd.

Reciproke kracht
Een reactiekracht die gelijk in grootte en tegengesteld in richting als de op een gebitselement of gebitselementen uitgeoefende kracht is.

Refinement
Ingrijpen via het computerprogramma door de behandelaar in de uitvoering van een behandeling met (clear) aligners of onzichtbare beugels.

Reflux
Terugvloeiing van maaginhoud naar slokdarm of mondholte.

Regionale orthodontistenvereniging
Regionale vereniging van orthodontisten die zich tijdens bijeenkomsten bezighouden met het vergaren, verspreiden en onderling uitwisselen van kennis en ervaring op het gebied van de orthodontie. Tevens worden regionale ontwikkelingen op het orthodontische vlak doorgenomen en vinden contacten met andere organisaties en zorgverleners plaats.

Registratie
Eerste inschrijving in het BIG-register. Inschrijving als orthodontist kan plaatsvinden na afronding een succesvolle 4-jarige fulltime specialistenopleiding aan de universiteit of academisch ziekenhuis. De registratie heeft een geldigheidsduur van 5 jaar. Hierna dient herregistratie plaats te vinden om als orthodontist in het BIG-register ingeschreven te blijven.

Reguleren
Het verbeteren van de stand van het gebit met beugels.

Reinigingstablet
Tablet die in een beker of bakje water kan worden gedaan om een uitneembare beugel te reinigen. Wordt ook wel bruistablet genoemd.

Relaps
Terugkeer van een orthodontisch gecorrigeerd gebit naar de oorspronkelijke stand. Wordt ook wel recidief genoemd.

Relatie
Onderlinge verhouding tussen de onder- en bovenkaak. Wordt ook wel kaakrelatie genoemd.

Relaxatie splint
Uitneembare kunsthars beugel die om het onder- of bovengebit past. Het hulpmiddel wordt bij tandenknarsen en problemen met het kaakgewricht en de kauwspieren gebruikt.

Replantatie
Het in de tandkas (alveole) terugplaatsen van een door een ongeluk uitgeslagen tand.

Restauratie
Vulling. Deze kunnen in één, twee of drie zijden van een gebitselement zijn aangebracht en worden dan respectievelijk een-, twee- en drievlaksrestauraties genoemd. Een restauratie in een kies die vanaf mesiaal via het occlusale vlak naar de distale zijde loopt wordt vaak mod-restauratie of mod genoemd.

Retainer
Vastzittende of uitneembare beugel voor het zo goed mogelijk behouden van het eindresultaat na een behandeling.

Retentie
Het zo goed mogelijk met spalkjes of uitneembare beugels behouden van het eindresultaat van een behandeling. De term wordt ook gebruikt het vastzitten van een beugel.

Retentiespalk
Metalen draad die na afloop van een orthodontische behandeling achter de voortanden kan worden geplaatst om het gebit na afloop zo goed mogelijk in de rij te houden. De retentiespalk werd in 1977 door de Noorse orthodontist professor Björn Zachrisson geïntroduceerd en wordt ook wel spalk(je) genoemd. Andere benamingen zijn: C-C-bar of C-C-retainer.

Retroclinatie
Naar binnen gekipte stand van voortanden. Wordt ook wel inversie, linguoversie, palatoversie, retroversie, linguo-inclinatie of palato-inclinatie genoemd.

Retrognathie
Naar achteren staande kaak.

Retropositie
Gebitselementen staan naar achteren. Wordt ook wel linguopositie of palatopositie genoemd. 

Retroversie
Naar binnen gekipte stand van voortanden. Wordt ook wel inversie, palatoversie, linguoversie, linguo-inclinatie, palato-inclinatie of retroclinatie genoemd.

Retruded contact position (RCP)
De occlusie waarbij de onderkaak zich in centrale relatie ten opzichte van de schedel bevindt. Wordt ook centrale occlusie (CO) genoemd.

Retruderen, retrusie
Naar achteren verplaatsen van voortanden.

Reversed curve of Spee
Boogvorm van een vastzittende beugel die er op gericht is om de snijtanden te intruderen.

Reviewer
Onafhankelijk deskundige die de kwaliteit van wetenschappelijk werk beoordeelt. Meestal gebeurt dat anoniem. De methode wordt peerreview genoemd. 

Richtlijn
Een door de beroepsgroep opgesteld document met aanbevelingen waaraan zorgverleners moeten voldoen. Zorgverleners kunnen in individuele gevallen beargumenteerd van een richtlijn afwijken.

Ricketts
Professor Robert M. Ricketts (1920–2003) was een Amerikaanse orthodontist die een veelgebruikte modificatie van de straightwire bracket van Andrews en een hieraan gerelateerde behandelingstechniek (bioprogressive therapy) heeft geïntroduceerd.

Riedel
Dr. Richard A. Riedel (1922-1994) was een Amerikaanse orthodontist die een veelgebruikte orthodontische behandeltechniek met behulp van vastzittende apparatuur met (standaard) edgewise brackets heeft geïntroduceerd.

Rinitis
Ontstoken neus. 

RME
Rapid maxillary expansion. Het snel verbreden van de bovenkaak en het bovengebit door de schedelnaad (sutuur) in de bovenkaak met behulp van een vastzittende beugel met een schroef te openen. De beugel is een sutuurexpansie-apparaat. Voor deze sutuurexpansie zijn verschillende typen beugels beschikbaar, zoals: Hyrax of Biedermann, Haas-, Derichsweiler- en Isaacson-apparaat of Minne Expander. Patiënten noemen de beugel vaak een spin. De behandeling wordt ook wel snelle sutuurexpansie of rapid palatal expansion (RPE) genoemd.

Roestvrij staal
Metaallegering met stugge eigenschappen waar vaak vastzittende orthodontische beugels van zijn gemaakt. In de orthodontie bestaat de legering meestal uit 18% chroom en 8% nikkel. Met behulp van de roestvrij stalen bogen van een vastzittende beugel kunnen de tanden en kiezen heel nauwkeurig verplaatst worden. Roestvrij stalen bogen worden meestal tijdens de latere fasen van een behandeling gebruikt. De metalen draaddelen van uitneembare beugels zijn ook van roestvrij staal.

Roncone
Amerikaanse orthodontist die een veelgebruikte modificatie van de straightwire bracket van Andrews en een hieraan gerelateerde behandelingstechniek heeft geïntroduceerd.

Rondbektang
Tang waarbij de helften van de bek rond zijn en taps toelopen.

Röntgen
Duitse natuurkundige professor dr. Wilhelm Conrad Röntgen (1845-1923) die in 1895 de x-stralen (röntgenstralen) ontdekte en daarvoor de eerste Nobelprijs ontving. In de orthodontie worden deze meestal gebruikt voor het maken van overzichtsröntgenfoto's van het gebit en röntgenfoto's van het profiel van het gezicht, (resp. panoramische en laterale schedelröntgenfoto's).

Röntgencefalogram
Gestandaardiseerde röntgenfoto van het hoofd. Wordt ook cefalogram genoemd.

Röntgencefalometrie, röntgencefalometrische analyse
Analyse van de stand van de gebitselementen en de kaken aan de hand van metingen op een gestandaardiseerde röntgenfoto van het profiel van het gezicht (laterale schedelröntgenfoto). De termen ook wel cefalometrie en cefalometrische analyse genoemd.

Röntgenschedelprofielfoto (RSP)
Röntgenfoto van het profiel van het gezicht, ook wel laterale schedelröntgenfoto (LS) genoemd.

Root planing
Het glad maken van de wortels van gebitselementen met tandheelkundige instrumenten.

Rotatie centrum
Punt waar een gebitselement tijdens een tandverplaatsing om draait.

Rotating spring
Klein veertje dat bij een bracket van een vastzittende beugel wordt gebruikt om een gedraaid gebitselement te roteren. Wordt ook wel rotatieveertje genoemd.

Rotating wedge
Klein elastiekje dat bij een bracket van een vastzittende beugel wordt gebruikt om een gedraaid gebitselement te roteren. Wordt ook wel module of elastiekje genoemd.

Rotation arms
Kleine metalen vleugeltjes van een edgewise bracket volgens het ontwerp van de Amerikaanse orthodontist P.D. Lewis, die bedoeld zijn om het roteren van gebitselementen te vergemakkelijken.

Roteren
Draaien van een gebitselement om de lengte-as.

Roterende tandenborstel
Electrische tandenborstel met een roterende ronde borstelkop.

Roth
Amerikaanse orthodontist die een veelgebruikte modificatie van de straightwire bracket van Andrews en een hieraan gerelateerde behandelingstechniek heeft geïntroduceerd.

RTS
Registratiecommissie Tandheelkundige Specialismen. Deze is belast met het uitvoeren van en het houden van toezicht op de regelgeving van het College Tandheelkundige Specialismen (CTS). Deze regelgeving heeft betrekking op de opleidingen, opleiders en de opleidingsinrichtingen voor tandarts-specialisten en de eisen voor (her-)registratie.

Rugae palatinae
Dwars verlopende plooien op de voorzijde van het gehemelte.

Safety clip
Veiligheidsklem waarmee de buitenboog van een facebow aan de nekband of het hoofdkapje van een buitenbeugel bevestigd is.

Sagittaal
Van voor naar achter.

Sagittale overbeet (SOB)
Voor-achterwaartse afstand tussen onder- en bovensnijtanden bij dichtbijten. Wordt ook wel horizontale overbeet (HOB), overbeet of overjet genoemd.

Sagittale splijtingsosteotomie, sagittale split-osteotomie
Kaakoperatie waarbij het voorste deel van de onderkaak ten opzichte van het achterste gedeelte chirurgisch wordt verschoven.

SARME
Surgically Assisted Rapid Maxillary Expansion. Hierbij wordt de bovenkaak ten behoeve van sutuurexpansie door middel van het aanbrengen van horizontale zaagsnedes in de compacte botlaag aan de wangzijde van de kaak verzwakt. Bij ingreep wordt tevens een voor-achterwaartse zaagsnede in het midden van het gehemelte aangebracht.

Scafocefalie
Langwerpige, smalle schedel als gevolg van te vroege sluiting van een schedelnaad. Wordt ook bootschedel genoemd.

Scaler
Instrument om tandsteen of tandheelkundig cement te verwijderen.

Scalpel
Chirurgisch mes.

Schaarbeet
Situatie waarbij kiezen van het onder- en bovengebit niet op elkaar, maar langs elkaar bijten.

Schaarbeetelastiek
Elastiekje om de stand van kiezen van het ondergebit ten opzichte van het bovengebit bij een schaarbeet te verbeteren.
 

Schedelbasis
De botten van de schedelbasis waarop de hersenen rusten. Deze bestaat uit de volgende zes schedelbeenderen: os frontale, os sphenoidale, os ethmoidale, os temporale (2) en os occipitale. De schedelbasis wordt ook wel het chondrocranium genoemd, omdat de botten ervan merendeels uit kraakbeen zijn ontstaan (enchondrale verbening).

Schedelbasishoek
De hoek tussen de cefalometrische referentiepunten N, Se en Ba.

Schede van Hertwig
Laag van tandepitheel in de tandklok dat aan de onderzijde groeit en voor wortelvorming zorgt.

Schijf
Een hulpstuk dat in een hand- of hoekstuk kan worden geplaatst om plastic en metalen delen van beugels of gebitselementen te beslijpen. 

Schisis
Hazenlip. Aangeboren spleet of spleten in de lip, bovenkaakwal en/of het gehemelte. Afhankelijk van de locatie van de spleet of spleten wordt schisis verder als volgt aangeduid: cheiloschisis (bovenlipspleet), gnathoschisis (bovenkaakwalspleet) en palatoschisis (gehemeltespleet). Indien schisis op meerdere plaatsen voorkomt wordt deze al naar gelang deze locaties nader gespecificeerd. Zo is er bij een cheilo-gnatho-palatoschisis sprake van een spleet in de lip, kaakwal en gehemelte. Verder kan schisis zich zowel aan één zijde (unilateraal) of aan beide zijden (bilateraal) van het gezicht manifesteren. Rechtszijdige en linkszijdige spleten worden vaak respectievelijk met de Latijnse toevoeging dextra en sinistra aangeduid. Bij een cheiloschisis dextra bevindt de spleet zich dus in de rechterzijde van de bovenlip Ook kan er sprake zijn van een spleet in het midden (mediaan). In dat laatste geval gaat het dan meestal om een gehemelte spleet (mediane palatumspleet). Schisis kan ook in aanwezigheid van andere aangeboren afwijkingen voorkomen, zoals bijvoorbeeld bij dysostosis mandibulofacialis (syndroom van Treacher Collins). 

Schisisplaat
Een plastic plaatje dat bij baby's met schisis wordt gebruikt om de spleet af te sluiten. Het plaatje is bedoeld om het drinken te vergemakkelijken. Een ander doel van het plaatje is om de tong uit de spleet weg te houden en de spleet door de groei van bovenkaak, gehemelte en kaakwal kleiner te laten worden. Het plaatje wordt hiervoor regelmatig beslepen of vervangen. Schisisplaat wordt ook wel gehemelteplaat genoemd.

Schisisteam
Een werkgroep bestaande uit medewerkers van diverse zorgdisciplines die zich bezighouden met de diagnostiek en behandeling van schisis (hazenlip).

Schroef
Onderdeel van een beugel om gebitselementen te verplaatsen.

Schwarz
Professor dr. A. Martin Schwarz (1887-1963) was een Oostenrijkse orthodontist die diverse wereldwijd veelgebruikte uitneembare beugels (platen) heeft geïntroduceerd.

Scintigrafie
Beeldvormende techniek waarbij een afbeelding wordt gemaakt van weefsel met een radio-actieve isotoop om afbraak- en opbouwactiviteiten op te sporen. De techniek wordt onder meer gebruikt om groeiactiviteit van het kaakkopje vast te stellen.

Sealen
Het met composiet (fissuurlak) opvullen van groefjes en putjes in de kauwvlakken van gebitselementen om een betere reiniging met de tandenborstel mogelijk te maken.

Seating lug
Klein metalen plaatje dat op een band wordt gelast om een band makkelijker te kunnen verwijderen.

Seating spring
Metalen klemmetje in een positioner. Bij het plaatsen van de beugel in de mond klemt het zich tussen twee kiezen, zodat de positioner goed aan het gebit vast komt te zitten.

Secondary failure of eruption, secundaire retentie
De situatie waarbij een doorgebroken tand of kies tijdens de gebitsontwikkeling niet meer verder naar het kauwvlak beweegt en ten dele of volledig door het aangrenzende kaakbot en tandvlees wordt overgroeid.

Second opinion
Tweede mening van een andere zorgverlener.

Second order bend
Een in het verticale vlak gebogen knik in een boog bij een vastzittende beugel.

Sectional
Boogdeel bij een vastzittende beugel.

Sectorenschroef
Schroef waarmee een gedeelte van een uitneembaar apparaat kan worden uitgedraaid om een beperkt aantal gebitselementen te verplaatsen.

Seculaire trend 
Geleidelijk verandering in gemiddelde lichamelijke kenmerken van populaties in de tijd. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om een vervroeging van geslachtelijke rijping en een toename van lengte en gewicht. Bovendien zijn er aanwijzingen dat gezichten dieper, langer en smaller, kaken smaller en gebitselementen groter worden en dat de ernst van malocclusies gemiddeld toeneemt. De trend wordt onder meer toegeschreven aan veranderingen van voeding, hygiëne, gezondheid en gezinsomvang.

Secundaire crowding
Gedrongen stand van gebitselementen als gevolg van opschuivingen van grote en kleine kiezen tijdens de wisseling.

Segmentosteotomie 
Kaakoperatie (osteotomie) waarbij een gedeelte van de kaak (segment) chirurgisch wordt verplaatst.

Sella (S) 
Cefalometrisch referentiepunt dat het midden van de sella turcica aangeeft. In de sella turcica is de hypofyse gelegen. Het punt wordt bij veel cefalometrische analyses gebruikt.

Sella turcica 
Komvormige structuur waarin de hypofyse gelegen is. De structuur wordt gebruikt bij de totale superpositie (cranial base registration).

Seminars in Orthodontics (Sem Orthod)
Internationaal wetenschappelijk orthodontisch tijdschrift.

Separatie
Het met elastiekjes (separatie-elastiekjes), kleine veertjes of ligaturen uit elkaar duwen van kiezen, om het mogelijk te maken dat hier banden om kunnen worden geplaatst.

Separeren
Het met elastiekjes (separatie-elastiekjes of separators), kleine veertjes of ligaturen uit elkaar duwen van kiezen, om het mogelijk te maken dat hier banden om kunnen worden geplaatst.

Septum nasi
Neustussenschot.

Sequester
Dood stukje bot.

Serial extraction, serie-extractie
Procedure voor de behandeling van ruimtegebrek waarbij achtereenvolgens de melkhoektand, eerste melkkies en eerste blijvende kies (premolaar) worden getrokken.

Set-back osteotomie
Osteotomie waarbij een kaakdeel naar achteren wordt verplaatst.

Settelen
Het beter op elkaar gaan passen van de onder- en bovengebitselementen na een beugelbehandeling.

Set-up
Nabootsing van het eindresultaat met gebitsmodellen waarvan gebitselementen zijn losgemaakt. Wordt ook wel diagnostische set-up genoemd. Een set-up kan ook met behulp van gedigitaliseerde driedimensionale modellen worden uitgevoerd.

SGIM
Stichting Geschillen Instantie Mondzorg. Een geschilleninstantie die in het kader van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (WKKGZ) klachten van patiënten tegen mondzorgverleners behandeld.

Sheat
Klein doosvormig buisje dat op een kies wordt bevestigd om er een omgebogen staaldraad in te kunnen doen.

Sharpey vezels
Collagene vezels tussen alveole en wortel(s) van gebitselement.

Shovel-shaped incisief
Snijtand met aan beide kanten dikke randen aan de binnenzijde.

Sigmatismus
Slissen.

Sinister, sinistrum, sinistra
Linkszijdig. Sinistrum is het manlijk en sinistra het vrouwelijk bijvoeglijk naamwoord.

Sinus maxillaris
Bovenkaakholte. Wordt ook antrum maxillare genoemd.

Six keys of occlusion
Een in 1972 door de Amerikaanse orthodontist Lawrence F. Andrews geïntroduceerd concept van een ideale statische occlusie. De 6 sleutels hiervoor zijn een gebit met: 1) Angle Klasse I molaarocclusie, 2) goede angulatie van gebitselementen, 3) goede inclinatie van gebitselementen, 4) afwezigheid van rotaties, 5) afwezigheid van diastemen en 6) een vlak occlusievlak.

Skeletleeftijd
De leeftijd die wordt bepaald door de verbening van de handbotjes.

Skeletaal
Betreffende het bot. Meestal: kaakbot.

Skelettale afwijking
Orthodontische afwijking samenhangend met een wanverhouding van de stand van de kaken.

Skelettale verankering
Orthodontische verankering met metalen implantaat dat tijdelijk in de kaak wordt bevestigd en waaraan krachten kunnen worden ontleend voor het orthodontisch verplaatsen van gebitselementen en kaken. Wordt ook wel botverankering genoemd.

Slack
Speling tussen orthodontische boog en bracketslot.

Slicen
Ruimte maken voor het in de rij zetten van het gebit. Hierbij worden gebitselementen door middel van slijpen of schuren iets smaller gemaakt. De procedure wordt ook wel interproximale reductie (IPR) of strippen genoemd.

Sliding jig
Metalen draad die om de boog van een vastzittende beugel kan worden geschoven met een haakje waaraan elastiek kan worden vastgemaakt.

Slot size
De hoogte van de slotopening van een bracket van een vastzittende beugel. Wereldwijd wordt deze in inches aangegeven en is deze 0.018 of 0.022 inch. Dat komt overeen met respectievelijk 0,05 en 0,06 cm.

SNA
Meetwaarde op een röntgenfoto van het profiel van het gezicht (laterale schedelröntgenfoto) die de voor-achterwaartse positie van de bovenkaak aangeeft. Het is de hoek tussen de cefalometrische referentiepunten S, N en A. Met SNA kan ook het cefalometrische referentiepunt spina nasalis anterior worden bedoeld, het naar voren uitstekende punt van de bovenkaak onder de neusholte.

Snap Lock Expander
Type schroef van een vastzittende beugel waarmee in korte tijd de bovenkaak en het bovengebit kan worden verbreed door het openen van de schedelnaad (sutuur) in de bovenkaak. In de schroef is een speciaal mechanisme ingebouwd dat voorkomt dat de expansie van de beugel terugloopt. De verbredingsbehandeling heet snelle sutuurexpansie, rapid maxillary expansion (RME) of rapid palatal expansion (RPE). Andere benamingen voor de beugel zijn: Biedermann en sutuurexpansie-apparaat. De beugel zelf wordt ook vaak naar het type schroef met de naam Snap Lock Expander aangeduid. Patiënten noemen de beugel vaak een spin. 

SNAP-retainer
Een dun, doorzichtig plastic hoesje (dieptrekplaat) die precies over het onder- en/of bovengebit past en die het eindresultaat van een orthodontische behandeling zo goed mogelijk vasthoudt.

SNB
Meetwaarde op een röntgenfoto van het profiel van het gezicht (laterale schedelröntgenfoto) die de voor-achterwaartse positie van de onderkaak aangeeft. Het is de hoek tussen de cefalometrische referentiepunten S, N en B.

Snelle sutuurexpansie
Het snel verbreden van de bovenkaak en het bovengebit door de schedelnaad (sutuur) in de bovenkaak met behulp van een vastzittende beugel met een schroef te openen. Voor deze behandeling zijn verschillende typen beugels beschikbaar, zoals: Hyrax of Biedermann, Haas-, Derichsweiler- en Isaacson-apparaat of Minne Expander. Patiënten noemen de beugel vaak een spin. De behandeling wordt ook wel rapid maxillary expansion (RME) of rapid palatal expansion (RPE) genoemd.

Snurkbeugel
Beugel die sociaal hinderlijk snurken tegengaat, meestal door het naar voren houden van de onderkaak tijdens het slapen zoals bij een mandibulair repositie-apparaat (MRA). Wordt ook wel anti-snurkbeugel genoemd.

SOB (sagittale overbeet)
Voor-achterwaartse afstand tussen onder- en bovensnijtanden bij dichtbijten. Wordt ook wel horizontale overbeet (HOB), overbeet of overjet genoemd.

Socket liner
Metalen klemmetje in een positioner om een snijtand. Het klemmetje geeft de kunststof van de positioner bij de snijtand extra versteviging.

Solo
Röntgenfoto van een of een paar gebitselementen. Wordt ook wel intra-orale röntgenfoto of tandfilm genoemd.

Sonde
Tandheelkundig instrument met een haakje.

Sonische tandenborstel
Electrische tandenborstel met een borstelkop met snel vibrerende borstelharen.

Space maintainer, space retainer
Beugel om ruimte in het gebit open te houden.

Spacing
Ruimte-overschot voor gebitselementen.

Spalk(je)
Metalen draad die na afloop van een orthodontische behandeling achter de voortanden kan worden geplaatst om het gebit na afloop zo goed mogelijk in de rij te houden. Deze werd in 1977 door de Noorse orthodontist Zachrisson geïntroduceerd en wordt ook wel retentiespalk genoemd. Andere benamingen zijn: C-C-bar of C-C-retainer.

Spatelbijten
Het verbeteren van een omgekeerde sagittale overbeet van de voortanden door de patiënt op een houten spatel laten bijten.

Specialisatie
Fulltime academische vervolgopleiding na afronding van de studie tandheelkunde of geneeskunde.

Specialistenregister
Het wettelijk erkend register van specialisten.

Speeksel
Mondvloeistof die door speekselklieren aangemaakt wordt. De vloeistof bestaat voor 99% uit water. Verder bevat speeksel eiwitten, anorganische zouten, bacteriën en speeksellichaampjes (witte bloedlichaampjes ofwel leukocytren en afgestoten epitheelcellen).

Speekselsteen
Steentje van verkalkt speeksel in speekselklier of speekselklier uitgang. Wordt ook sialoliet of calculus salivalis genoemd.

Speekselzuiger
Verwijderbare flexibele buis waarmee speeksel uit de mond kan worden gezogen.

Spin
Vastzittende beugel waarmee in korte tijd de bovenkaak en het bovengebit kan worden verbreed door het openen van de schedelnaad (sutuur) in de bovenkaak. De officiële vakterm voor deze behandeling is snelle sutuurexpansie, rapid maxillary expansion (RME) of rapid palatal expansion (RPE). De beugel is een sutuurexpansie-apparaat. Er bestaan verschillende typen van deze beugels, zoals: Hyrax of Biedermann, Haas-, Derichsweiler- en Isaacson-apparaat of Minne Expander.

Spina nasalis anterior (SNA)
Naar voren uitstekende punt van de bovenkaak onder de neusholte. Het is een veelgebruikt cefalometrisch punt.

Spina nasalis posterior (SNP)
Naar achteren uitstekende punt van het gehemeltebeen (os palatinum). Het is een veelgebruikt cefalometrisch punt.

Spina vlak, spinale vlak
Cefalometrische referentielijn tussen de spina nasalis anterior en posterior. De lijn geeft het verloop van het harde gehemelte weer.

Splint
Uitne
embare kunsthars hoes die om het onder- of bovengebit past. Het hulpmiddel wordt bij tandenknarsen en problemen met het kaakgewricht en de kauwspieren gebruikt.

Spring retainer
Uitneembare beugel die na een orthodontische behandeling wordt gebruikt voor het zo goed mogelijk behouden van het eindresultaat en daarnaast nog kleine verbeteringen in de stand van het gebit aan te brengen. De beugel is in 1975 door de Amerikaanse orthodontist Harry G. Barrer geïntroduceerd.

Square
Rechthoekig. Een Engelse term die in de orthodontie vaak wordt gebruikt voor het beschrijven van de vorm van tandbogen en de metalen bogen voor een vastzittende beugel.

Staalligatuur
Dun staaldraadje.

Standaard edgewise bracket
Slotje van een edgewise vastzittende beugel. De slotopeningen van deze brackets vertonen in tegenstelling tot straightwire slotjes geen ingebouwde angulatie en inclinatie. Het slotje wordt ook edgewise bracket genoemd.

Steiner
De Amerikaanse orthodontist Cecil C. Steiner (1896-1989) introduceerde in 1953 de Steiner-analyse, wereldwijd een van de bekendste cefalometrische analyses.

Sterilisatie(ruimte)
Ruimte voor het reinigen en steriliseren van tandheelkundige instrumenten.

Sterilisatie-assistente
Assistent die zorgt voor het reinigen en steriliseren van tandheelkundige instrumenten.

Steundoorn
Metalen draadje van een uitneembare beugel dat tussen twee gebitselementen ligt.

Steunzone
Melkhoektand en eerste en tweede melkmolaren. Deze melkgebitselementen gaan de voorwaartse verplaatsing van de eerste blijvende molaren tijdens de gebitsontwikkeling tegen. Wordt ook wel melksteunzone genoemd.

Stonemodel
Gebitsmodel van gips met een hogere hardheid. Bij een dergelijk model treden minder snel beschadigingen op. Een stonemodel wordt ook hardgipsmodel genoemd.

Stop
Klein metalen klemmetje dat bij een vastzittende beugel met een tang om een boog kan worden vastgeknepen. Wordt ook wel crimpable stop (Eng.)genoemd.

Straight-wire beugel
Veelgebruikte vastzittende beugel die in 1972 door de Amerikaanse orthodontist Andrews is geïntroduceerd. De beugel is een modificatie van de edgewise beugel.

Strippen
Ruimte maken voor het in de rij zetten van het gebit. Hierbij worden gebitselementen door middel van slijpen of schuren iets smaller gemaakt. De procedure wordt ook wel interproximale reductie (IPR) of slicen genoemd.

STS
Sectie Tandarts Specialisten. Afdeling van de KNMT die de belangen van orthodontisten en MKA-chirurgen behartigt.

Studieclub
Club van orthodontisten die zich tijdens bijeenkomsten bezig houden met het vergaren, verspreiden en onderling uitwisselen van kennis en ervaring op het gebied van orthodontie.

Studiemodel
Zorgvuldig afgewerkte kopie van het gebit in gips, die wordt gebruikt voor orthodontische diagnostiek. Wordt ook kastmodel genoemd.

Subdivisie
Toevoeging aan de classificatie van Edward H. Angle die aangeeft dat de onderlinge stand van het onder- en bovengebit links en rechts van opzij gezien kunnen verschillen. Een Klasse II/1-subdivisie geeft aan dat het ondergebit ten opzichte van het bovengebit te ver naar achteren staat, terwijl die aan de andere zijde in voor-achterwaartse zin niet afwijkt. Bij een Klasse III-subdivisie staat het ondergebit ten opzichte van het bovengebit te ver naar voren en wijkt deze aan de andere kant niet af. 

Subgingivaal
Onder het tandvlees.

Subgingivaal
Onder de rand van het tandvlees.

Submerging
Gestagneerde eruptie (uitgroei) van melkkiezen tijdens de gebitsontwikkeling.

Sulcus
Smalle ruimte tussen gebitselement en tandvlees.

Sunday bite
Een gewoonte waarbij de onderkaak verder naar voren wordt dichtgebeten.

Superior
Boven.

Superelastische boog
Zeer elastische nikkel-titanium boog die door vervorming na plaatsing in de slotjes van een vastzittende beugel zijn oorspronkelijke vorm weer aanneemt. Wordt ook wel geheugendraad genoemd.

Superponeren
Het over elkaar heen leggen van overtrektekeningen (tracings) van röntgenfoto's die op verschillende tijdstippen van dezelfde persoon zijn gemaakt. Hiermee kunnen de verschillen tussen de foto's worden bestudeerd en kunnen onder meer veranderingen in de stand van het gebit, kaken en gezicht tijdens groei en behandeling zichtbaar worden gemaakt. Meestal worden gaat het hierbij om veranderingen op laterale schedelröntgenfoto's. De afbeelding met de over elkaar gelegde tracings wordt superpositie genoemd.

Supertoonmodel
Zeer zorgvuldig afgewerkte kopie van het gebit in gips, die wordt gebruikt voor orthodontische diagnostiek.

Supragingivaal
Boven het tandvlees.

Suprapositie
Positie van een gebitselement waarbij het te ver uitgegroeid is.

Surgery first
Gecombineerde orthodontisch-chirurgische behandeling waarbij de positie van de kaken eerst chirurgisch wordt gecorrigeerd voordat de stand van het gebit met een beugel wordt verbeterd.

Sutuur
Schedelnaad.

Sutuurexpansie
Het verbreden van het bovengebit door de schedelnaad (sutuur) in de bovenkaak met behulp van een vastzittende beugel met een schroef (Hyrax, spin of sutuurexpansie-apparaat) in korte tijd te openen.

Sutura intermaxillaris
Schedelnaad (sutuur) tussen de linker- rechterzijde van de bovenkaak.

Sutura frontonasalis
Verbindingsnaad (sutuur) tussen het voorhoofdsbeen (os frontalis) en het neusbeen (os nasale).

Symptoom
Subjectieve klacht van patiënt of objectief voor arts of tandarts kenmerk van ziekte of afwijking.

Symphysis mandibulae
Kraakbeenverbinding tussen het linker en rechter deel van de onderkaak in het gebied van de kin. Bij de mens verbeent deze gedurende het eerste levensjaar.

Synchondrosis
Kraakbenige verbinding tussen botten.

Synchondrosis sphenooccipitalis
Kraakbenige verbinding tussen het os sphenoidale en het os occipitale. Dit groeicentrum is van invloed op de gelaatsgroei en verbeent omstreeks de leeftijd van 20 jaar.

Syndroom van Apert
Gestoorde ontwikkeling van schedelbeenderen, vingers en tenen, resulterend in een terugliggend middengezicht en vaak samengegroeide vingers en tenen. De erfelijke aandoening wordt ook wel acrocefalosyndactylie genoemd.

Syndroom van Beckwith-Wiedemann
Het syndroom van Beckwith-Wiedemann is een erfelijke aandoening. De drie meest voorkomende kenmerken van het syndroom zijn: navelbreuk, grote tong en reuzengroei.

Syndroom van Crouzon
Gestoorde ontwikkeling van schedelbeenderen als gevolg van vroegtijdige verbening van schedelnaden. De erfelijke aandoening wordt ook wel dysostosis craniofacialis genoemd.

Syndroom van Down
Het syndroom van Down of trisomie-21 is een aangeboren afwijking die gepaard gaat met een verstandelijke beperking, typerende uitwendige gezichtskenmerken en medische problemen die veroorzaakt worden doordat het erfelijk materiaal van chromosoom 21 in drievoud in plaats van in tweevoud voorkomt.

Syndroom van Ehlers-Danlos (EDS)
Het syndroom van Ehlers-Danlos (EDS) is een erfelijke aandoening met als belangrijkste kenmerk een stoornis in de aanleg van bindweefsel. Hierdoor kan het bindweefsel van gewrichten en tandwortelvlies verzwakt zijn.

Syndroom van Marfan
Het syndroom van Marfan is een erfelijke aandoening die wordt veroorzaakt door een stoornis in de aanleg van bindweefsel. Hierdoor kunnen er afwijkingen aan hart, bloedvaten, ogen en skelet optreden.

Syndroom van Marie Sainton
Gestoorde ontwikkeling van schedel- sleutelbeenderen. De aangeboren afwijking ook wel dysostosis cleidocranialis genoemd.

Syndroom van Noonan
Het syndroom van Noonan is een erfelijke aandoening. De belangrijkste kenmerken van het syndroom zijn hartaandoening, kort gestalte en bepaalde kenmerkende gelaatstrekken, zoals ver uiteenstaande ogen en een platte neusbrug. Ook kunnen tanden en kiezen laat en in een verkeerde volgorde doorkomen en zijn er vaak gebitsafwijkingen (malocclusies) aanwezig.

Syndroom van Peters-Hövels
Gestoorde ontwikkeling van jukboog en bovenkaak met terugliggend middengezicht. De erfelijke aandoening wordt ook wel dysostosis maxillofacialis genoemd.

Syndroom van (Pierre) Robin
Gestoorde ontwikkeling van onder- en bovenkaak met terugliggende onderkaak, gehemeltespleet en vernauwde bovenste luchtweg. De aangeboren afwijking wordt tegenwoordig meestal (Pierre) Robin sequentie genoemd. Zie ook: Pierre Robin.

Syndroom van Shprintzen
Het syndroom van Shprintzen of velo-cardio-faciaal syndroom (VCFS) is een aangeboren aandoening die wordt gekenmerkt door een slecht functionerend zacht gehemelte (velum), hartproblemen, en een hoofd dat gekenmerkt wordt door laag ingeplante en afstaande oren, een smalle ooglidspleet, een kleine terugwijkende kin en open-mondhouding.

Syndroom van Sjögren
Het syndroom van Sjögren is een reumatische auto-immuumziekte waarbij vochtafscheidende klieren ontstoken raken en onder meer de slijmvliezen in de mond en de ogen uitdrogen.

Syndroom van Teacher Collins
Gestoorde ontwikkeling van aangezichtsbeenderen, in het bijzonder van de onderkaak. Wordt ook wel aangeduid met de term vogelgezicht. De aangeboren gelaatsaandoening wordt tevens vaak gekenmerkt door laag staande buitenste ooghoeken, een open gehemelte (schisis) en onderontwikkelde oorschelpen. De aandoening wordt ook wel dysostosis mandibulofacialis genoemd.

Synoviale vloeistof, synoviaal vocht
Vloeistof die zich in gewrichtsholtes bevindt en die wordt uitgescheiden door een vlies (synoviaalmembraan), dat deze holtes omgeeft en bekleedt. Komt ook in het kaakgewricht voor.

TAD
Temporary anchorage device. Schroefje of metalen staafje dat tijdelijk in de kaak wordt bevestigd en waaraan krachten kunnen worden ontleend voor het orthodontisch verplaatsen van gebitselementen en kaken.

Tandarts
Iemand die een universitaire opleiding in de tandheelkunde heeft afgerond en die als tandarts in het BIG-register staat ingeschreven.

Tandarts-endodontoloog, endodontoloog
Tandarts met een speciale opleiding (differentiatie) die op het uitvoeren complexe wortelkanaalbehandelingen gericht is.

Tandarts gehandicaptenzorg
Tandarts met een speciale opleiding (differentiatie) die gericht is op de diagnostiek en behandeling van patiënten met een verstandelijke, motorische of meervoudige beperking.

Tandarts-geriatrie
Tandarts met een speciale opleiding (differentiatie) die gericht is op de diagnostiek en behandeling van ouderen. De zorgverlener wordt ook wel ouderentandarts genoemd.

Tandarts-gnatholoog, gnatholoog
Tandarts met een speciale opleiding (differentiatie) die op de diagnose en behandeling van pijn en problemen met kauwen gericht is.

Tandarts-implantoloog, implantoloog
Tandarts met een speciale opleiding (differentiatie) die op het plaatsen van implantaten gericht is.

Tandarts-parodontoloog, parodontoloog
Tandarts met een speciale opleiding (differentiatie) die zich bezighoudt met de diagnose en behandeling van ernstige aandoeningen van de weefsels waarmee gebitselementen in de kaak vastzitten (parodontium) en het plaatsen van implantaten.

Tandarts-pedodontoloog, pedodontoloog
Iemand die een speciale opleiding (differentiatie) op het gebied van kindertandheelkunde heeft gevolgd. Vaak gaat het daarbij om angstige kinderen, jonge kinderen met veel gaatjes en kinderen met gedragsproblemen, lichamelijke of verstandelijke beperkingen of medische problematiek. Een tandarts-pedodontoloog wordt ook kindertandarts genoemd.

Tandarts-specialist
Orthodontist of MKA-kaakchirurg.

Tandarts voor orthodontie
Tandarts zonder specialistenopleiding die zich met orthodontie bezighoudt.

Tandbeen
Weefsellaag onder het glazuur en cement van een gebitselement. Wordt ook wel dentine genoemd.

Tandboog
Gebitsboog.

Tandenborstel
Een kleine borstel om samen met tandpasta de tanden schoon te maken. Er bestaan twee typen tandenborstels: handtandenborstels en elektrische tandenborstels. 

Tandenstoker
Klein stokje van zacht hout om de ruimte tussen gebitselementen te reinigen.

Tandfilm
Röntgenfoto van een of een paar gebitselementen. Wordt ook wel intra-orale röntgenfoto of solo genoemd.

Tandkas
Alveole of alveolus.

Tandkiem
Gebitselement in beginstadium.

Tandlijst
Lamina dentalis. Een band van epitheelweefsel waaruit kiemen onstaan die de aanleg vormen van het ectodermale gedeelte van tanden (tandglazuur). Eerste aanleg van de gebitselementen in de zesde week na de conceptie. 

Tandpapil
Mesenchym dat zich aan de binnenzijde van het binnenste tandepitheel bevindt. Hieruit ontstaat de pulpa.

Tandpasta
Een pasta waarmee het gebit met behulp van een tandenborstel gepoetst kan worden.

Tandplaque, tandplak
Zachte massa die zich bij onvoldoende mondhygiëne op het tandoppervlak vormt en hier gaatjes in veroorzaakt. Door plaque ontstaan ook ontstekingen van de weefsels waarmee gebitselementen in de kaak vastzitten. Tandplaque, ook wel plaque genoemd, is een voorbeeld van biofilm.

Tandprotheticus
Zorgverlener die opgeleid is om protheses (kunstgebitten) aan te meten en te maken.

Tandsteen
Verkalkte plaque.

Tandtechnicus
Iemand die is opgeleid voor het maken van tandheelkundige werkstukken.

Tandzijde
Dental floss om de ruimte tussen gebitselementen te reinigen. Wordt ook wel floss genoemd.

Tang
Instrument voor het bijstellen van een beugel. Wordt ook wel plier (Eng.) genoemd.

Tangenrek
Rek waarin tangen voor in een thermodesinfector kunnen worden geplaatst.

Tapered
Taps toelopend. Een Engelse term die in de orthodontie vaak wordt gebruikt voor het beschrijven van de vorm van tandbogen en de metalen bogen voor een vastzittende beugel. 

T-appliance
Modificatie van de activator ontwikkeld door de Nederlandse orthodontist Ton Kooiman.

TC (tungsten carbide)
Keramisch materiaal bestaand uit tungsten (wolfram) en carbide (koolstof). Het wordt ook met de term wolframcarbide aangeduid. In de orthodontie wordt dit zeer harde materiaal gebruikt voor boren en fresen en de bekken van tangen. Tungsten carbide wordt in de orthodontie vaak hardstaal genoemd.

Techniekhandstuk
Tandtechnische boormachine om kunsthars van uitneembare beugels buiten de mond te kunnen beslijpen.

Telescoopbeet
Dubbelzijdige volledige binnen- of buitenbeet. Wordt ook Brodie bite of Brodie syndroom genoemd.

Temporomandibulair gewricht (TMG)
Kaakgewricht.

Temporomandibulaire dysfunctie (TMD)
Kaakgewrichtklachten. Wordt ook wel craniomandibulaire dysfunctie (CMD) genoemd.

Tertiaire crowding
Gedrongen stand van gebitselementen op latere leeftijd ontstaan na de volledige doorbraak van het blijvende gebit.

Teuscher activator
Activator met buitenbeugel, ontwikkeld door de Zwitserse orthodontist dr. Ullrich Teuscher. De beugel kan ook met een high-pull headgear worden gecombineerd.

Thermodesinfector
Medische vaatwasser voor het reinigen en desinfecteren van tandheelkundige instrumenten.

Third order bend
Een draaiing in de lengteas van een rechthoekige boog bij een vastzittende beugel.

Tip-back bend
Een knik in een boog voor de eerste blijvende molaar bij vaste apparatuur van de edgewise of straightwire behandeltechniek, waarbij het booguiteinde van het occlusievlak af kipt. 

Tip-Edge
De Tip-Edge bracket combineert eigenschappen van de vastzittende bracket van Begg (lightwire) en de straightwire bracket van Andrews. De bracket is door Richard Parkhouse, een orthodontist uit Wales, internationaal in het vakgebied onder de aandacht gebracht.

Tischler schroef
Schroef voor het verbreden van het gebit met een uitneembare beugel.

TMA
Orthodontische bogen met een legering van TMA (Titanium Molybdenum Alloy). Deze worden vaak tijdens de latere stadia van behandelingen met vastzittende beugels gebruikt. De bogen hebben zowel elastische als permanent vervormbare materiaaleigenschappen. TMA wordt ook wel beta-titanium genoemd.

TMD, temporomandibulaire dysfunctie
Kaakgewrichtklachten. Wordt ook wel CMD (craniomandibulaire dysfunctie) genoemd.

TMG
Temporomandibulair gewricht ofwel kaakgewricht

Toe-in bend
Een knik in een boog voor de eerste blijvende molaar bij vaste apparatuur, waarbij het booguiteinde in het horizontale naar binnen wijst. 

Tomografie
Methode van het maken van röntgenfoto's waarbij door speciale draaiingen van fotografische sensor en röntgenbuis doorsnedes door structuren in het lichaam kunnen worden gemaakt. De röntgenologische doorsnedes worden tomogrammen genoemd.

Tongbeen
Hyoïd. Wordt officieel os hyoideum genoemd.

Tonghek
Hekwerkje van metalen draden dat dient om de tong tussen de onder- en boventanden weg te houden, zodat deze ongehinderd naar elkaar toe kunnen bewegen. Een tonghek wordt vaak bij een open beet gebruikt.

Tonginterdentaliteit
Situatie waarbij de tong bij slikken, praten of in rust tussen de tanden wordt gehouden.

Tongpersen
Wijze van slikken waarbij de tong tussen de tanden wordt geperst. Wordt ook wel infantiel slikgedrag of infantiel slikken genoemd.

Tongriempje
Frenulum linguae.

Tongschraper
Instrument voor reiniging van de tong.

Tonsil
Keelamandel.

Tonsillectomie
Verwijdering van de keelamandel.

Tooth size discrepancy (TSD)
Situatie waarbij de kronen van onder- en bovengebitselementen ten opzichte van elkaar relatief te groot of te klein zijn.

Torque
Tandbeweging waarbij de wortel loodrecht ten opzichte van de kaakwal wordt bewogen.

Torque boog
Dun en kort boogje waarin lusjes zijn aangebracht om de wortels van snijtanden loodrecht loodrecht ten opzichte van de kaakwal te bewegen. Meestal loopt een torque boog van hoektand tot hoektand. Het boogje wordt gebruikt in combinatie met een dikkere (hoofd)boog die in zich in alle slotjes van de vastzittende onder- of bovenapparatuur bevindt.

Torque veer
Klein veertje dat bij een vastzittende beugel wordt gebruikt om de wortel van een gebitselement loodrecht ten opzichte van de kaakwal te bewegen.

Torquing loop, torquing spur
Lusje in boog of deelboog om de wortel van een gebitselement loodrecht ten opzichte van de kaakwal te bewegen.

Torquing key
Sleutel om het deel van een boog bij een vastzittende beugel ter plaatse van een bracket draaiend te verbuigen.

Torquing turret
Apparaat om torque in het voorste deel van een boog voor een vastzittende beugel aan te brengen.

Totale superpositie
Superpositie van tracings op de endocraniale oppervlakken van de lamina cribosa van het os ethmoidale, het tuberculum sellae en de voorwand van de fossa hypophysealis van de voorste schedelbasis. Omstreeks de leeftijd van 1 jaar vindt daar geen groei meer plaats. Meestal gaat het om veranderingen van gebit, kaken en profiel tijdens de groeiperiode. De superpositie wordt ook wel cranial base registration genoemd.

TP
Tandartspraktijk. Onafhankelijk Nederlandstalig tijdschrift voor tandartsen en tandarts-specialisten.

TPA, transpalatal arch
Vastzittende metalen draad, ook wel palatal bar of (naar de Amerikaanse uitvinder ervan) Goshgarian genoemd. De draad loopt langs het gehemelte van de linker naar de rechter kies.

Tracing
Een overtrektekening van structuren op een röntgenfoto van het profiel van het gezicht (laterale schedelröntgenfoto) met meetpunten voor het analyseren van de stand van de gebitselementen en de kaken. De tekening wordt gebruikt voor metingen bij een cefalometrische analyse. Tracings kunnen ook van voor-achterwaartse röntgenschedelfoto's worden gemaakt. 

Transpalatal arch (TPA)
Vastzittende metalen draad, ook wel palatal bar of (naar de Amerikaanse uitvinder ervan) Goshgarian genoemd. De draad loopt langs het gehemelte van de linker naar de rechter kies.

Transplantatie
Chirurgische verplaatsing van een gebitselement naar een andere plaats in de mond. Wordt ook wel autotransplantatie genoemd.

Transpositie
Situatie waarbij twee gebitselementen hun plaats in de gebitsboog hebben omgewisseld.

Transseptale vezels
Bindweefselvezels die tussen de wortels van twee aangrenzende gebitselementen lopen.

Transversaal
In dwarse richting.

Trauma
Letsel.

Traumatisch occlusie
Occlusiestoornis die leidt tot beschadiging van tandvlees en kaakbot. Vaak gaat het daarbij om een gebitssituatie waarbij de ondertanden bij dichtbijten tegen het gehemelte aankomen of waarbij de boventanden met het tandvlees aan de voorzijde van de ondertanden in contact komen. Ook kunnen bij dwangbeten beschadigingen van het tandvlees en kaakbot optreden bij gebitselementen die bij dichtbijten almaar heen en weer of op en neer worden bewogen (jiggling).

Tray
Serveerblad. Wordt ook wel instrumententray genoemd.

Traypapier
Wegwerp papier voor op de instrumententray.

Trifurcatie
Splitsing van drie wortels van een gebitselement.

Trigonocefalie
Spits toelopende voorzijde van het hoofd als gevolg van te vroeg sluiten van een sutuur. Wordt ook wigschedel genoemd.

Triple tube
Attachment met drie buizen dat op een kies kan worden bevestigd. In de openingen van de buizen kunnen bogen, boogdelen (sectionals), een lipbumper of een facebow worden geplaatst.

TSD, tooth size discrepancy
Situatie waarbij onder- en bovengebitselementen ten opzichte van elkaar relatief te groot of te klein zijn.

Tuba auditiva
Buis van Eustachius.

Tuber
Knobbel.

Tubercula
Kleine knobbeltjes op de snijranden van blijvende snijtandentanden. Worden ook wel mammelons of randtubercula genoemd.

Tuberculum sellae
Knobbeltje aan de voorzijde van de sella turcica. De structuur maakt deel uit van de voorste schedelbasis en wordt gebruikt bij de totale superpositie (cranial base registration). Omstreeks de leeftijd van 1 jaar vindt er geen groei meer plaats.

Tuber maxillae
Bolling onderaan de achterzijde van de bovenkaak.

Tubervlak
Raakvlak aan de achterste begrenzing van de meest dorsaal gelegen tuber maxillae, loodrecht op het mediaanvlak en occlusievlak.

Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
Een Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (RTG) beoordeelt op grond van een klaagschrift of een zorgverlener een fout heeft gemaakt. Tegen beslissingen van een Regionaal Tuchtcollege kan bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (CTG) in hoger beroep worden gegaan. Dit college is de hoogste rechter in Nederland op dit terrein.

Tungsten carbide (TC)
Keramisch materiaal bestaand uit tungsten (wolfram) en carbide (koolstof). Het wordt ook met de term wolframcarbide aangeduid. In de orthodontie wordt dit zeer harde materiaal gebruikt voor boren en fresen en de bekken van tangen. Tungsten carbide wordt in de orthodontie vaak hardstaal genoemd.

Tweed
De Amerikaanse orthodontist Charles H. Tweed (1895-1970) was een van de grondleggers van moderne behandeltechnieken met vastzittende beugels.

Tweede wisselfase
Periode in de gebitsontwikkeling waarin de tweede grote blijvende kiezen doorbreken en de hoektanden en kleine kiezen wisselen. De tweede wisselfase begint gemiddeld op een leeftijd van 10 jaar en duurt zo'n 1 tot 1,5 jaar.

Twee-fasen behandeling
Orthodontische behandeling waarbij de eerste fase tijdens de wisselperiode plaatsvindt en de tweede fase na het wisselen van de tanden en kiezen wordt uitgevoerd. Meestal wordt de eerste fase van de behandeling met functionele apparatuur gedaan, terwijl tijdens de tweede fase vaste apparatuur wordt gebruikt.

Twin arch apparatuur
Oude vastzittende vastzittende beugel die in 1931 door de Amerikaanse orthodontist J. Johnson is geïntroduceerd.

Twin block beugel
Beugel die bestaat uit uitneembare onder- en bovenplaten die met in elkaar passende kunstharsdelen de onderkaak naar voren houden.

Twistflex
Een uit meerdere in elkaar gevlochten kleine draadjes samengestelde metalen draad.

Two-digit system
Het internationale door de FDI aangenomen systeem voor het benoemen van gebitselementen waarbij aan elke tand en kies een getal wordt toegekend dat uit twee cijfers bestaat. Voor het eerste cijfer wordt de mond in vier kwadranten verdeeld: rechtsboven 1 (bij melkgebit 5), linksboven 2 (melkgebit 6), linksonder 3 (melkgebit 7) en rechtsonder 4 (melkgebit 8). Het tweede cijfer geeft aan op welke volgorde het gebitselement van voren af aan gezien in de tandboog staat. De snijtanden hebben van voren naar achteren de cijfers 1 en 2, de hoektanden 3, de premolaren en melkmolaren 4 en 5 en de blijvende molaren 6, 7 en 8. De getallen worden afzonderlijk per cijfer uitgesproken, dus de 36 heet niet 'zesendertig', maar 'drie zes'. Deze aanduiding van gebitselementen, die in 1924 door de Oostenrijkse kinderarts Clemens Pirquet (1874-1929) is geintroduceerd, staat ook bekend als het ISO 3950 systeem.

Typodont
Model van een gebit waarvan de kunsttanden en -kiezen meestal in een bepaald type malocclusie zijn opgesteld. De gebitselementen bevinden zich met hun wortels in was. Op de tanden en kiezen zijn brackets geplaatst, waarin orthodontische bogen kunnen worden bevestigd. Ook kunnen er elastiekjes en ligaturen aan de beugel worden vastgemaakt. Door verwarming wordt de was zacht en kunnen de orthodontische tandverplaatsingen als gevolg van de druk die de beugel op de tanden en kiezen uitoefent worden vervolgd. Typodonts worden tijdens opleidingen in de orthodontie gebruikt om tandverplaatsingen na plaatsing van vaste apparatuur te kunnen simuleren.

U-Bügel-Aktivator
Modificatie van de activator van Andresen volgens de Duitse orthodontist professor dr. Rudolf Karwetzky (1923-1999).

U-loop, u-lus
Een u-vormige lus in de boog van een beugel.

Ugly duckling
Tijdelijke fase tijdens de gebitsontwikkeling waarbij boventanden naar voren gekipt staan en er spleten tussen de tanden zitten.

Uitgebreid orthodontisch onderzoek
Onderzoek met analyse van gebitsmodellen, röntgenfoto's en foto's.

Uithardingslamp
Lamp met licht-emitterende (LED) diodes voor het snel uitharden van composiet. Wordt ook wel LED (uithardings)lamp genoemd.

Uitneembare retentie
Uitneembare beugel om het eindresultaat van een orthodontische behandeling zo goed mogelijk te behouden. Wordt ook wel nacht- of afbouwbeugel genoemd.

Ulcus
Zweer.

Ultrasone apparatuur
Apparatuur voor reiniging door middel van ultrasone trillingen. Bijvoorbeeld voor de verwijdering van tandsteen of het schoonmaken van tandheelkundige instrumenten.

UMC
Universitair Medisch Centrum.

Unit
Combinatie van elektrische en luchtgestuurde apparatuur voor tandheelkundige behandelingen.

Uniteraal
Enkel- of eenzijdig.

University of Michigan groei-onderzoek
Een lange termijn onderzoek naar de veranderingen van de schedel en kaken en de ontwikkeling van het gebit van 700 studenten van de universiteit van Michigan die van 1953 tot 1970 zijn vervolgd. Op basis van dit onderzoek zijn twee atlassen met standaardwaarden van de veranderingen van de schedel en kaken en de ontwikkeling van het gebit na de groeiperiode gepubliceerd.

Unravelling
Ontrafelen. Het globaal in de rij zetten van gebitselementen die scheef staan.

Uprighting spring
Klein veertje dat bij een vastzittende beugel wordt gebruikt om een gebitselement op te richten.

Utility arch
Boog bij een vastzittende beugel die niet aan de kleine kiezen vastzit.

V.
De afkorting van vena of vene, bloedvat waarin de stroom van het bloed naar het hart is gericht.

Vakgebied
Discipline.

Van Beek activator
Activator met buitenbeugel, ontwikkeld door de Zeeuwse orthodontist dr. Herman van Beek. De beugel wordt met een high-pull headgear gecombineerd.

Van der Linden
Professor dr. Frans P.G.M. van der Linden. Een bekend Nijmeegse hoogleraar orthodontie die op landelijk en Europees niveau van belang is geweest voor de ontwikkeling van de specialistenopleiding orthodontie. Daarnaast heeft hij diverse orthodontische tekstboeken voor de studie tandheelkunde geschreven. Hij heeft ook een veelgebruikte beugel geïntroduceerd, de Van der Linden retainer.

Van der Linden retainer
Uitneembare beugel, volgens een ontwerp van de Nijmeegse orthodontist professor dr. Frans van der Linden, om het eindresultaat van een orthodontische behandeling zo goed mogelijk te behouden.

Van Loon
Dr. Justus A.W. van Loon (1876-1940) was een wereldberoemde lector in de anatomie en orthodontie in Utrecht. In 1914 introduceerde hij een apparaat om de positie van het gebit in het hoofd vast te leggen (craniofoor of cubus craniophorus). De hedendaagse cefalostaat die bij het maken van röntgenfoto's van het hoofd wordt gebruikt is hier op gebaseerd.

Varkensstaartveer
Metalen draad in uitneembare beugel om gebitselementen in de tandboog te verplaatsen. Wordt ook posthoorn- of krulstaartveer genoemd.

Vaste apparatuur

Beugel die met brackets (slotjes) op de gebitselementen vastzit. De beugel wordt ook wel vastzittende apparatuur genoemd. Andere benamingen zijn plaatjesbeugel of slotjesbeugel.

Veer
Metalen onderdeel van een beugel voor het verplaatsen van gebitselementen.

Velo-cardio-faciaal syndroom (VCFS)
Het velo-cardio-faciaal syndroom (VCFS) of syndroom van Shprintzen is een aangeboren aandoening die wordt gekenmerkt door een slecht functionerend zacht gehemelte (velum), hartproblemen, en een hoofd dat gekenmerkt wordt door laag ingeplante en afstaande oren, een smalle ooglidspleet, een kleine terugwijkende kin en open-mondhouding.

Vena, vene
Bloedvat waarin de stroom van het bloed naar het hart is gericht. Wordt vaak afgekort als v. of vv. (venae, meervoud). 

Ventraal
Aan of naar de buik- of voorzijde. 

Verankering
Structuren waaraan de krachten worden ontleend voor het orthodontisch verplaatsen van gebitselementen en kaken.

Vergulden
Het electrolytisch bedekken van metalen delen van een beugel met een dun laagje goud om allergische reacties te vermijden.

Versnelde orthodontie 
Chirurgisch orthodontische behandeling waarbij er gaten of zaagsnedes in de buitenste botlaag van de kaakwal worden aangebracht om de snelheid van tandverplaatsingen te bevorderen en daarmee de behandelduur te verkorten. De procedure is geïntroduceerd door de twee Amerikaanse broers William en Thomas Wilcko, resp. orthodontist en parodontoloog. De behandelvorm wordt ook wel Accelerated Osteogenic Orthodontics  (AOO) of Wilckodontics genoemd.

Verticaal groeipatroon
Groeirichting van de onderkaak naar achteren en naar beneden. Tevens is de groeirichting van de bovenkaak ook bovenmatig naar beneden gericht.

Verticaal slot
Bracket met een verticaal georiënteerde opening.

Verticale drift
Van nature optredende naar het kauwvlak gerichte verplaatsing van gebitselementen.

Verticale elastiek
Elastiekje dat bij een vastzittende beugel tussen de bovenbeugel en de onderbeugel wordt geplaatst.

Verticale overbeet
Verticale overlap van onder- en bovensnijtanden bij dichtbijten. Wordt ook wel overbite genoemd.

Verwijzing
Een verwijzing of doorverwijzing in de zorgverlening houdt in dat een zorgverlener een patiënt naar een andere zorgverlener doorstuurt. In het geval een tandarts een patiënt naar een collega tandarts doorstuurt, wordt dit horizontale verwijzing genoemd. Wanneer een tandarts een patiënt naar een specialist verwijst, heet dit verticale verwijzing. Na consultatie, onderzoek en/of behandeling door de zorgverlener naar wie de patiënt is verwezen vindt terugverwijzing naar de verwijzer plaats.

Verzepen
Het glad maken van een gebitsmodel van gips met een zeepoplossing. Hierdoor wordt het model gladder, witter en minder snel vuil.

Vestibulair apparaat, vestibulaire plaat
Kunststof scherm die aan de binnenzijde van de wangen en lippen loopt. Het hulpmiddel is bedoeld om mondademhaling en afwijkende zuiggewoonten bij kinderen tegen te gaan. Een andere naam voor vestibulair apparaat en vestibulaire plaat is oral screen.

Vezels van Sharpey
Bindweefselvezels die tussen de tandwortel en het bot van de tandkas lopen.

Vibratie apparaat
Hulpmiddel met een lepel die om het gebit kan worden gehouden. Het apparaat heeft als doel orthodontische tandverplaatsingen door middel van trillingen te versnellen.

VICO
Centrale Visitatiecommissie Orthodontie. Commissie die verantwoordelijk is voor visitaties van orthodontisten.

Vinyl
Rubber-achtig materiaal dat bestaat uit polyvinylchloride (PVC). Het kan worden gebruikt voor elastiekjes bij vastzittende beugels bij patiënten die allergisch voor latex zijn. Wanneer iemand allergisch voor latex is kunnen de behandelaar en medewerkers ook vinyl handschoenen gebruiken. 

Viscerocranium
Aangezichtsschedel. Deze bestaat uit de volgende veertien beenderen: os nasale (2), os lacrimale, os zygomaticum (2), concha nasalis inferior (2), vomer, os palatinum (2), maxilla (2) en mandibula.

Visitatie
Onderdeel van het verplichte kwaliteitsprogramma van orthodontisten, waarbij de praktijk van een orthodontist een keer in de 5 jaar door een groep collega's wordt bezocht. Tijdens een visitatie wordt de kwaliteit van behandelingsprocedures beoordeeld. Gekeken wordt naar de mate van tevredenheid van patiënten, de kwaliteit van behandelingen, het oordeel van verwijzende tandartsen en kaakchirurgen. Tevens worden lopende behandelingen van patiënten ter plekke geëvalueerd. Visitatie wordt ook vaak klinische visitatie genoemd.

Visual Treatment Objective (VTO)
Voorspelling van het behandelresultaat met behulp van foto's, waarbij de verplaatsingen van tanden en kaken gesimuleerd zijn.

Voet
Sokkel van een gebitsmodel.

Vogelgezicht
Gestoorde ontwikkeling van aangezichtsbeenderen, in het bijzonder van de onderkaak. De officiële medische term luidt dysostosis mandibulofacialis. Ook bij vergroeiing (ankylose) van beide kaakgewrichten ontstaat tijdens de groei vaak een vogelgezicht met een ernstige onderontwikkeling van de onderkaak.

Volledige vastzittende apparatuur
Beugel die met brackets (slotjes) op de gebitselementen van zowel de onderkaak als de bovenkaak vastzit.

Vomer
Ploegschaarbeen. Dunne onderste deel van het neustussenschot (septum nasi).

Voor-achterwaartse schedelröntgenfoto
Röntgenfoto van het vooraanzicht van het gezicht genoemd.

Voorbeet
Schuin verlopend deel van een uitneembare bovenbeugel waartegen de ondertanden dichtbijten en naar voren worden gestimuleerd.

Voorste schedelbasisvlak
Lijn tussen de cefalometrische referentiepunten Sella (S) en Nasion (N). 

Voorste gelaatshoogte
Afstand tussen de cefalometrische referentiepunten Nasion (N) en Menton (Me).

Vrije gingiva
Dun randje van het tandvlees dat niet met vezels aan de wortel van een gebitselement vastgehecht is.

VTO, Visual Treatment Objective
Voorspelling van het behandelresultaat met behulp van foto's, waarbij de verplaatsingen van tanden en kaken gesimuleerd zijn.

VTvO
Vereniging Tandartsen voor Orthodontie, de landelijke vereniging van tandartsen die zich zonder specialistenopleiding met orthodontie bezighouden.

Vrijleggen
Kleine kaakchirurgische ingreep waarbij bot om de kroon van een gebitselement dat niet wil doorbreken wordt verwijderd. Vaak wordt er hierbij door de kaakchirurg een slotje met een metalen draadje of kettinkje op de kroon van het gebitselement geplakt.

Vulling
Restauratie.

Vv.
Venae. Meervoud van vena of vene, een bloedvat waarin de stroom van het bloed naar het hart is gericht. 

Waaierschroef
Speciale schroef in een uitneembare bovenbeugel. De schroef is tweedelig en bestaat uit een schroefgedeelte dat tijdens het uitdraaien zorgt voor verbreding van de beugel en een draai-as waar de beide helften van de plaat om scharnieren. Hierdoor treedt bij het uitdraaien van de schroef een waaiervormige verbreding van de beugel op.

Wafer
Dunne plastic hoefijzervormige plaat die tussen het onder- en bovengebit kan worden bevestigd. De plaat wordt vaak gebruikt om tijdens een kaakoperatie (osteotomie) de onder- en bovenkaakdelen zo goed mogelijk ten opzichte van elkaar te plaatsen.

Wanghaak
Hulpmiddel voor het weghouden van de wangen en lippen bij het maken van foto's van het gebit.

Was
Zachte was dat om uitstekende of scherpe delen van een vastzittende beugel kan worden geduwd om irritaties tegen te gaan. Wordt ook wel 'wax' genoemd. Modelleerwas die orthodontisten gebruiken voor het maken van was- en constructiebeten, wasafdruk en voor het maken van een proefversie van een uitneembare beugel wordt ook vaak was genoemd. 

Wasafdruk
Afdruk met modelleerwas van het onder- of bovenfront voor het maken van een retentiespalk.

Wasbeet
Een ingebeten strook modelleerwas waarmee de onder- en bovengebitsmodellen ten opzichte van elkaar georiënteerd kunnen worden.

Wasmes
Tandtechnisch instrument om modelleerwas mee te kunnen snijden en bewerken.

Wattenrol
Rol van geperste watten om werkgebied in de mond droog te houden.

Weerstandscentrum
Het punt van een gebitselement waar de kracht doorheen moet gaan om een tandverplaatsing te verkrijgen zodat er geen kipping optreedt. Het gebitselement zal in dat geval evenwijdig aan zichzelf ('bodily') verplaatsen.

Weingart tang
Tang met licht gebogen bek voor het plaatsen en verwijderen van een boog bij een vastzittende beugel.

Werkende zijde
Zijde waarnaar de onderkaak na maximaal dichtbijten (maximale occlusie) wordt geschoven.

Werkmodel